RVS:2017:2642

ECLI:NL:RVS:2017:2642 - Raad van State - 4-10-2017

Trefwoord(en)Proportionaliteit, Zakelijk samenwerkingsverband, Vermogen verschaffen, Vergewisplicht
Toepassingsgebied(en)Drank- en horecavergunning, Exploitatievergunning horeca

Hoofdpunten

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft de burgemeester geweigerd aan [betrokkene] vergunningen te verlenen voor het exploiteren van een sportkantine en voor het verkopen van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse

Uitspraak

Uitspraak

201604490/1/A3.

Datum uitspraak: 4 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Rijswijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2016 in zaak nr. 15/9212 in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te Rijswijk,

En

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft de burgemeester geweigerd aan [betrokkene] vergunningen te verlenen voor het exploiteren van een sportkantine en voor het verkopen van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.

Bij besluit van 16 november 2015 heeft de burgemeester het door [betrokkene] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2016 heeft de rechtbank het door [betrokkene] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 november 2015 vernietigd en bepaald dat de burgemeester een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[betrokkene] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Na faillietverklaring van [betrokkene] heeft de Afdeling het geding op verzoek van de burgemeester geschorst teneinde de burgemeester gelegenheid te geven om de curator tot overneming van het geding op te roepen. De curator heeft vervolgens bericht dat hij het geding niet overneemt, waarna de Afdeling het geding heeft hervat.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2017, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.G.J.A. van Dijk en mr. S. Kool-Nijssen, is verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. [betrokkene] is een voetbalvereniging. Ten behoeve van haar sportkantine beschikte zij over een exploitatievergunning en een vergunning voor het verkopen van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. In verband met het aflopen van deze vergunningen heeft zij nieuwe vergunningen aangevraagd. Bij het besluit van 19 augustus 2015 heeft de burgemeester deze aanvraag afgewezen. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunningen mede gebruikt zouden worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. De burgemeester heeft daarbij erop gewezen dat de Belastingdienst aan [betrokkene] een vergrijpboete van € 1.500,00 en een naheffingsaanslag van € 10.536 heeft opgelegd wegens het in de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2013 stelselmatig doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting. [betrokkene] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de boete en naheffing niet betaald. De burgemeester heeft aan de afwijzing van de aanvraag ook ten grondslag gelegd dat ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunningen mede gebruikt zouden worden om strafbare feiten te plegen. Daarbij heeft hij gewezen op de aan [betrokkene] opgelegde boete en naheffingsaanslag, alsmede op de registratie van strafbare feiten gepleegd door [persoon], die aan [betrokkene] een lening van € 52.066 heeft verstrekt en ten tijde van de indiening van de aanvraag vicevoorzitter van [betrokkene] was. De Belastingdienst heeft aan [persoon] een vergrijpboete van € 2.500 en een naheffingsaanslag van € 10.000 opgelegd wegens het in de periode van 2007 tot en met 2010 doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, inkomstenbelasting en premies voor de volksverzekeringen. [persoon] heeft deze boete en naheffing betaald. Voorts is meegewogen dat [persoon] op 31 mei 2001 een transactievoorstel van € 272,27 heeft aanvaard wegens het op 30 maart 2001 overtreden van de Wet wapens en munitie en op 20 juli 2010 een transactievoorstel van € 440,00 heeft aanvaard wegens een op 8 mei 2007 gepleegde mishandeling. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) kan de burgemeester de aangevraagde vergunningen weigeren in geval van ernstig gevaar, zoals hier aanwezig geacht. Bij zijn besluitvorming is de burgemeester afgegaan op adviezen van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau).

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester zich niet onverkort mocht baseren op de adviezen van het Bureau. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [betrokkene] eind 2013 een nieuwe voorzitter en een nieuwe penningmeester heeft aangesteld en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de stelling van [betrokkene] dat haar financiën inmiddels beter waren geregeld. Daarnaast was er volgens de rechtbank onvoldoende reden om nog een zakelijk samenwerkingsverband tussen [betrokkene] en [persoon] aanwezig te achten, nu hij was teruggetreden uit het bestuur van [betrokkene]. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat de burgemeester de betrokken belangen onvoldoende heeft afgewogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aannemelijk is dat zonder kantine-inkomsten het voortbestaan van [betrokkene] onzeker zou zijn. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de burgemeester het maatschappelijke belang van [betrokkene] voor haar leden onvoldoende heeft meegewogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester na afweging van de betrokken belangen de aangevraagde vergunningen niet in redelijkheid kunnen weigeren.

Ernstig gevaar

4. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich niet mocht aansluiten bij de adviezen van het Bureau. Hij voert daartoe aan dat [betrokkene] niet heeft aangetoond dat zij haar financiën inmiddels beter heeft geregeld. Zij heeft evenmin aangetoond dat de Belastingdienst de aan haar opgelegde sancties wegens het ontbreken van verwijtbaarheid heeft gematigd. Dat [persoon] was teruggetreden uit het bestuur van [betrokkene], neemt niet weg dat nog steeds een relevante relatie tussen [betrokkene] en [persoon] bestond, aangezien hij een lening aan [betrokkene] had verstrekt. Bovendien is niet slechts bepalend of ten tijde van de besluiten omtrent de aanvraag van [betrokkene] een zakelijk samenwerkingsverband tussen [betrokkene] en [persoon] bestond, maar ook of zo’n verband eerder heeft bestaan. In het licht daarvan was nog steeds van belang dat [persoon] vicevoorzitter is geweest, aldus de burgemeester.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1525), mag een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

4.2. Zoals hiervoor onder 2 is vermeld, heeft de Belastingdienst aan [betrokkene] een boete en een naheffingsaanslag opgelegd wegens het gedurende twee jaar stelselmatig doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over een zeer recent tijdvak. Weliswaar is zij tegen de opgelegde sancties opgekomen, maar in deze zaak heeft [betrokkene] in haar bezwaarschrift en beroepschrift gesteld dat haar administratie in die periode inderdaad niet op orde was. Niet bestreden is dat [betrokkene] het in de betrokken periode ten onrechte niet betaalde bedrag aan belasting nog altijd niet volledig heeft betaald. Derhalve mocht de burgemeester zich op het standpunt stellen dat het vermogen van [betrokkene] op geld waardeerbare voordelen omvatte die uit een gepleegd strafbaar feit waren verkregen.

De burgemeester mocht zich eveneens op het standpunt stellen dat ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunningen mede zouden worden gebruikt om de uit het strafbare feit verkregen voordelen te benutten. Dat [betrokkene] eind 2013 een nieuwe voorzitter en een nieuwe penningmeester heeft aangesteld, doet daar niet aan af. Daartoe is van belang dat [betrokkene] als organisatie verantwoordelijk is voor de onjuiste belastingaangiften. Zoals in het eerste advies van het Bureau is toegelicht, heeft de Belastingdienst vastgesteld dat [betrokkene] in de betrokken periode meer opbrengsten uit sponsoring heeft ontvangen dan zij heeft opgegeven in de aangiften voor de omzetbelasting. De Belastingdienst heeft deze handelwijze aangemerkt als grove nalatigheid en daarom besloten om naast een naheffingsaanslag ook een vergrijpboete aan [betrokkene] op te leggen. In bezwaar heeft [betrokkene] gesteld dat zij met de Belastingdienst in gesprek was over de geconstateerde misstanden. Zij heeft echter geen concreet zicht geboden op het treffen van een regeling met de Belastingdienst. [betrokkene] heeft evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Belastingdienst de aan haar opgelegde sancties heeft gematigd. In beroep en in hoger beroep heeft [betrokkene] te kennen gegeven dat zij er nog steeds niet in is geslaagd om met de Belastingdienst een regeling te treffen. Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat de Belastingdienst inmiddels heeft besloten om over te gaan tot executoriale verkoop van de opstallen van [betrokkene]. Ook heeft de burgemeester ter zitting toegelicht dat [betrokkene] een jaar achterliep met het aan de gemeente betalen van de huur voor de door haar gebruikte sportvelden, hetgeen inmiddels tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft geleid. Gezien het uitblijven van concreet zicht op een regeling met de Belastingdienst, mocht de burgemeester het standpunt innemen dat er niet op kon worden vertrouwd dat [betrokkene] haar financiële beheer daadwerkelijk op orde zou brengen. Daarbij mocht de burgemeester in aanmerking nemen dat [betrokkene] zich nog steeds liet financieren door [persoon], aan wie de Belastingdienst sancties heeft opgelegd wegens onjuiste belastingaangiften in een periode kort voor de onjuiste belastingaangiften waarvoor aan [betrokkene] sancties zijn opgelegd.

4.3. Gezien de onjuiste belastingaangiften waarvoor aan [betrokkene] en [persoon] sancties zijn opgelegd en hetgeen hiervoor onder 4.2 daaromtrent is overwogen, mocht de burgemeester ook ernstig gevaar aanwezig achten dat de aangevraagde vergunningen mede gebruikt zouden worden om strafbare feiten te plegen. Dat [persoon] ten tijde van het besluit van 19 augustus 2015 geen bestuurslid van [betrokkene] meer was, betekent niet dat de burgemeester de over hem geregistreerde strafbare feiten buiten beschouwing moest laten. Daartoe is van belang dat [persoon] een lening aan [betrokkene] had verstrekt. Dat het volgens [betrokkene] om een achtergestelde en niet direct opeisbare lening gaat, laat onverlet dat [persoon] hiermee vermogen heeft verschaft aan [betrokkene]. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob stond [betrokkene] reeds daarom in relatie tot de over hem geregistreerde strafbare feiten.

4.4. Gelet op het voorgaande, mocht de burgemeester overeenkomstig de adviezen van het Bureau ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob aanwezig achten. De rechtbank heeft ten onrechte anders geoordeeld. Het betoog slaagt.

Belangenafweging

5. De burgemeester betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de betrokken belangen onvoldoende heeft afgewogen. De burgemeester voert daartoe aan dat de rechtbank niet naar eigen inzicht het gewicht van de betrokken belangen mag vaststellen. Voor alle sportverenigingen geldt dat zij een maatschappelijke functie vervullen en dat kantine-inkomsten bijdragen aan de financiële draagkracht. Evenwel geldt ook voor sportverenigingen dat integriteit van de bedrijfsvoering van het grootste belang is. Als aan sportverenigingen lichtere integriteitseisen worden gesteld, bestaat het risico dat criminele geldstromen zich naar hun activiteiten verplaatsen, aldus de burgemeester.

5.1. Artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob betreft geen verplichting, maar een bevoegdheid van bestuursorganen om een beschikking in te trekken of het geven van een beschikking te weigeren ingeval het in die bepaling omschreven ernstige gevaar zich voordoet. Het is aan het bestuursorgaan om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of het bestuursorgaan na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

5.2. Zoals de rechtbank heeft overwogen en de burgemeester ter zitting heeft toegelicht, had [betrokkene] meer dan 700 leden, onder wie een groot aantal jeugdleden, en droegen de gemeenten Den Haag en Rijswijk bij aan de contributie van meer dan de helft van de leden wegens een laag inkomen. Zoals de rechtbank verder heeft overwogen, diende [betrokkene] aldus een maatschappelijk belang, dat in het licht van de afhankelijkheid van de kantine-inkomsten moest worden meegewogen. Daartegenover staat het hiervoor onder 4.2 en 4.3 beschreven ernstige gevaar dat de ten behoeve van de kantine aangevraagde vergunningen mede gebruikt zouden worden om crimineel geld te benutten en om strafbare feiten te plegen. Voorts waren de leden van [betrokkene] voor het beoefenen van de voetbalsport niet afhankelijk van [betrokkene]. Zoals de burgemeester ter zitting heeft toegelicht, konden mede door inspanningen van de gemeente alle leden, onder wie complete teams, met behoud van hun niveau overstappen naar andere voetbalverenigingen. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester in redelijkheid het algemene belang bij het voorkomen van strafbare feiten en van het benutten van daaruit verkregen of te verkrijgen financiële voordelen zwaarder kunnen laten wegen dan het belang bij het voortbestaan van [betrokkene]. Het betoog van de burgemeester slaagt.

Conclusie

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 november 2015 alsnog ongegrond verklaren.

Proceskosten

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2016 in zaak nr. 15/9212;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Maak PDF van deze pagina