ECLI:NL:RVS:2021:1964

ECLI:NL:RVS:2021:1964 - Raad van State - 1-9-2021

Trefwoord(en)Zakelijk samenwerkingsverband, Vergewisplicht, Samenhang, Ernstig gevaar b-grond
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning horeca, Drank- en horecavergunning
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 1 sub b, Art. 3 lid 3, Art. 3 lid 3 sub a, Art. 3 lid 4 sub c, Art. 3:9 Awb

Uitspraak

202004888/1/A3.

Datum uitspraak: 1 september 2021 AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], appellante,

tegen de uitspraakvan de rechtbank Overijssel van 6 augustus 2020 in zaak nr. 19/1611 in het geding tussen:

[appellante] en

het college van burgemeester en wethouders (lees: de burgemeester) van Rijssen-Holten. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2019 heeft de burgemeester geweigerd om [appellante] een exploitatievergunning en een Drank- en Horecawetvergunning te verlenen.

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaarongegrond verklaard

Bij uitspraak van 6 augustus2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroepongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraakheeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heefteen schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeftde zaak op de zittingvan 2 juni 2021 behandeld, waar [appellante], bijgestaan door mr. O. Smits, advocaatte Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door L.J.M. Terpelle, bijgestaan door mr. M. Ichoh, advocaatte Almelo, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De bepalingen uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaarbestuur (hierna: Wet Bibob) die voor deze zaak van belang zijn,zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. [appellante] heeft met het oog op haar voornemeneen horecabedrijf op te richten aan de [locatie] te Rijssen op 14 mei 2018 een exploitatievergunning en een Drank-en Horecawetvergunning aangevraagd bij de burgemeester. De burgemeester heeft het LandelijkBureau Bibob (hierna:het Bureau) om advies gevraagd.Het Bureau heeft in zijn rapport van 28 november2018 geconcludeerd dat sprake was van een ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunningen mede zouden wordengebruikt om strafbarefeiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob).Aan deze gevaarsconclusie heeft het Bureau ten grondslag gelegd dat [bedrijfA], waarvan de broer van [appellante] indirectenig aandeelhouder en bestuurder is, in 2016 structureel heeftgehandeld in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). [bedrijfA] heeft namelijkniet voldaan aan de administratieplicht (artikel 52 van de AWR). Dit heeft geleid tot een schriftelijke waarschuwing en een onherroepelijke bestuurlijke boete en naheffingsaanslag wegens het betalenvan te weinig omzetbelasting. Het Bureau heeftaan zijn conclusieook ten grondslag gelegd dat de broer van [appellante] in 2014 in Frankrijk onherroepelijk is veroordeeld voor verboden wapenbezit. Het Bureau heeft geconcludeerd dat sprake is van samenhangtussen deze feitenen de aangevraagde vergunningen. Een horecabedrijf kan gebruikt worden om in strijd met de AWR te handelen.Verder is de horecabranche in het bijzonder kwetsbaar voor de risico’s die voortvloeien uit de overtreding van de Wet wapens en munitie. Dit is van belang nu tussen [appellante], haar broer en [bedrijf A] een zakelijksamenwerkingsverband bestaat. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het moederbedrijf van [bedrijf A], [holding], aan [appellante] het pand met inboedel waarop de aangevraagde vergunningen betrekking hebben,heeft verhuurd. Volgenshet Bureau heeft [bedrijf A] aan [appellante] ook vermogen verschaft. Haar broer heeft verder aangegeven toezicht te zullenhouden op de bedrijfsvoering van het horecabedrijf. Andere beschikbare politie-en justitiële gegevensover de broer van [appellante], waaronder een veroordeling in Duitsland voor fraude, heefthet Bureau niet nader onderzocht en meegewogen, vanwegeonduidelijkheden over de toedracht, het ontbreken van samenhang of de al bestaande gevaarsconclusie.

De burgemeester heeft vervolgens op basis van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob geweigerd de exploitatievergunning en de Drank- en Horecawetvergunning te verlenen. Aan de conclusiedat sprake was van een ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunningen mede zouden wordengebruikt om strafbarefeiten te plegen,heeft de burgemeester het advies van het Bureau ten grondslaggelegd. De burgemeester heeft daarnaast in zijn overweging meegenomen dat de broer van [appellante] in 2017 in Duitsland onherroepelijk is veroordeeld voor fraude met inbegrip van zwendel. Ook heeft de burgemeester meegewogen dat politieregistraties blijk geven van het ernstige vermoeden dat de broer van [appellante] in de periodevan 2012 tot en met 2018 betrokkenis geweest bij het plegen van meerdere strafbare feiten en dat in 2016 aan [bedrijfA] een onherroepelijke strafbeschikking wegens overtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgelegd. Dit bevestigt volgens de burgemeester het beeld dat de broer van [appellante] zich structureel bezighoudtmet criminele activiteiten.

Belang bij het hoger beroep

3. Opde zitting is de Afdeling gebleken dat zowel [bedrijf A] als [holding] failliet is verklaard(op 19 december 2018 respectievelijk 27 mei 2020).Het is daardoor onduidelijk of het pand aan de [locatie] te Rijssen nog beschikbaar is voor de exploitatie van het horecabedrijf van [appellante], zoals de burgemeester heeft aangevoerd. Op een vraag van de Afdeling heeft [appellante] meegedeeld dat zij schade heeft geledendoor gederfde inkomstenvanwege het niet kunnen exploiteren van het horecabedrijf en dat zij die schade wil verhalenop de gemeente. Het belangvan [appellante] bij een uitspraakop het hoger beroep is dus niet vervallen.

Zakelijk samenwerkingsverband

4. De Afdeling stelt vast dat niet is geconstateerd dat [appellante] zelf strafbare feiten heeft begaan.De genoemde strafbarefeiten of ernstigevermoedens daarvan betreffenin alle gevallen de broer van [appellante] of [bedrijf A] Het door de burgemeester gestelde en door de rechtbankaanvaarde zakelijk samenwerkingsverband tussen[appellante], haar broer en [bedrijfA] wordt in het hogerberoepschrift niet betwist. [appellante] heeft dit op de zitting bij de Afdeling bevestigd.Dat betekent dat de strafbarefeiten waarbij de broer van [appellante] of [bedrijf A] is of zou zijn betrokken, in beginsel ook aan [appellante] mogen worden tegengeworpen bij haar vergunningaanvraag.

Door het Bureau relevant geachtestrafbare feiten

5. [appellante] betwist het oordeelvan de rechtbank dat de burgemeester de gevaarsconclusie mocht baseren op de door het Bureau relevant geachte strafbare feiten.Het gaat hierbij om het stelselmatig handelenin strijd met de AWR en de Franse veroordeling voor verboden wapenbezit door de broer van [appellante]. De burgemeester heeft niet voldaan aan zijn verplichting om zich ervan te vergewissen dat het rapport van het Bureau zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd. De samenhang tussen de Franse veroordeling voor verboden wapenbezit en de aangevraagde vergunningen is niet aangetoond. [appellante] wijst erop dat buiten een registratie van de Justitiële Informatiedienst (hierna: Justid)geen informatie beschikbaar is over deze veroordeling. Een op deze zaak toegespitste beoordeling ontbreekt dan ook. Hoeweluit rechtspraak van de Afdeling(uitspraken van 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1892, en van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2910), de kwetsbaarheid van de horecabranche voor geweldsdelicten kan worden afgeleid,staat niet vast dat een overtreding van de Wet wapens en munitie voldoende is om samenhangvast te stellenmet de beoogde horeca-activiteiten. Bij gebrek aan nadere informatie over het delict en veroordelingen wegens geweldsdelicten, is er geen reden om te veronderstellen dat het wapenbezit gepaard is gegaan met gewelden intimidatie. Het Bureau is daarnaast niet consistent, omdat het heeft gesteld dat een andereJustid-registratie niet op samenhang getoetstkan worden omdat nadere informatieontbreekt. Het gaat hier om een Duitse veroordeling voor fraude. Nu de samenhangvan de Franse veroordeling voor verboden wapenbezit met de beoogdehoreca- activiteiten niet vaststaat, mag alleen de stelselmatige overtreding van de AWR worden meegewogen. Het weigeren van de aangevraagde vergunningen op basis van de stelselmatige overtreding van de AWR is volgens [appellante] in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Samenhang illegaal wapenbezit en de aangevraagde vergunningen

5.1 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling,onder meer de uitspraak van 18 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:818), mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau,in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan.Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het adviesen het daartoe ingestelde onderzoek naar de feitenop zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als de feiten te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden voor de conclusies, in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met wat overigensbekend is.

5.2 HetBureau heeft de getrokken gevaarsconclusie gebaseerd op twee strafbare feiten:het stelselmatig handelenin strijd met de AWR en de Franse veroordeling voor verboden wapenbezit. Het verboden wapenbezit ziet op een onherroepelijke veroordeling van de broervan [appellante] in Frankrijk tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van vijf jaar. De Nederlandse vertaling van de Franse kwalificatie betreft ‘Illegale vervaardiging van wapens, vuurwapens, met inbegrip van delen en onderdelen, munitieen explosieven op nationaal niveau.’ Het Bureau heeft daarbij opgemerkt dat de Franse omschrijving, ‘Port prohibé d’arme, munition ou élément essentiel de catégorie B’, niet duidt op de vervaardiging van een wapen, maar op het dragen daarvan. Catégorie B ziet op vuurwapens, traangaswapens en tasers. Uit het rapport van het Bureau blijkt niet of hierbij ook sprake was van geweld of intimidatie.

5.3 DeAfdeling stelt vast dat verbodenwapenbezit de kans op geweldsdelicten verhoogt. De hiervooraangehaalde rechtspraak (uitspraken van 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1892, en van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2910), typeertde horecabranche als zeer kwetsbaar voor de door geweldsdelicten geschapenrisico’s. Een horecavergunning kan worden gebruiktom geweldsdelicten met illegale wapenste faciliteren. Ten aanzien van de Franseveroordeling voor verbodenwapenbezit mocht daarom samenhang met de aangevraagde vergunningen in beginselworden aangenomen. Gezien dit uitgangspunt is het niet van belangdat niet bekendwas of sprake was van geweld of intimidatie. Als er bijzondere feiten en omstandigheden zijn die aanleiding hadden moeten geven tot afwijkingvan het uitgangspunt, dan was het aan [appellante] om die feitenen omstandigheden aan te dragen. Dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de gevaarsconclusie op de veroordeling wegens wapenbezit mochtworden gebaseerd.

Consistentie in beoordeling door het Bureau

5.4 [appellante] voert aan dat het Bureau inconsistent is in zijn beoordeling, omdat het een vergelijkbare buitenlandse veroordeling niet heeft meegewogen in zijn gevaarsconclusie. De broer van [appellante] is in 2017 in Duitslandonherroepelijk veroordeeld wegens fraude, met inbegrip van zwendel, tot een boete van € 7.600,-. Hoewelhet Bureau heeft gesteld dat het delictfraude in veel gevallen samenhangt met vergunningen voor een horecaonderneming, heeft het in dit geval de samenhangniet nader beoordeeld. Voor zover het Bureau aldus geen definitief oordeel over de relevantie van de veroordeling wegens fraude heeft gegeven, is het rapportvan het Bureau niet inconsistent. Het Bureau heeft namelijk in zijn rapporttoegelicht dat een nadere beoordeling niet nodig was gezien de al op basis van andere strafbarefeiten getrokken gevaarsconclusie. Dat het Bureaubij de Duitse veroordeling er ook op heeft gewezendat toedrachtinformatie ontbreekt, laat onverlet dat, zoals hierbovenuiteengezet, ten aanzienvan de Franse veroordeling zonder toedrachtinformatie tot samenhang geconcludeerd mocht worden. Verderis de burgemeester er terechtvan uitgegaan dat de Duitseveroordeling wel samenhangt met de aangevraagde vergunningen, omdat in het algemeenaangenomen mag wordendat de horecabranche ook kwetsbaarvoor fraude is. [appellante] heeft geen feitenof omstandigheden aangedragen op grond waarvaner in dit geval geen samenhang zou zijn. Op de zittingheeft zij hieroveraangegeven dat zij geen kennis draagt van de feitenen omstandigheden van de Duitse en Franseveroordelingen, omdat haar broer hierovergeen openheid heeft verschaft. Gezien wat hiervooronder 4 is overwogen, komt dat voor haar rekening. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de burgemeester aan de vergewisplicht heeft voldaan.

Conclusie

5.5 Derechtbank heeft terechtgeoordeeld dat op basis van de door het Bureaurelevant geachte strafbarefeiten, geconcludeerd mag worden dat sprake was van een ernstig gevaardat de aangevraagde vergunningen mede gebruikt zouden worden om strafbare feiten te plegen.De burgemeester mochtdaarbij, anders dan [appellante] betoogt,niet alleen de overtreding van de AWR maar ook de veroordelingen wegens verboden wapenbezit en fraude van belang achten.Er is voorts geen reden om te oordelen dat de weigeringvan de vergunningen onevenredig is.

5.6 Hetbetoog slaagt niet.

Anderestrafbare feiten

6. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester op onjuiste grondenandere strafbare feitenheeft betrokken bij zijn gevaarsconclusie. Het gaat hierbijom de strafbare feiten die het Bureau in zijn rapport buiten beschouwing heeftgelaten, omdat het vermoeden te zwak was om hier een gevaarsconclusie op te baserenof waarvan geen samenhang met de aangevraagde vergunningen is vastgesteld. De rechtbank heeft erkend dat de burgemeester niet heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken. De rechtbank heeft daar echterten onrechte aan toegevoegd dat uit rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3375) blijkt dat ook een redelijk vermoeden volstaat om aan te nemen dat het aannemelijk is dat mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd. Het Bureau en de burgemeester behoren eenzelfde criterium te hanteren. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de burgemeester de aannemelijkheid van de strafbare feiten had moeten motiveren. Ook is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de burgemeester had moeten toetsen in hoeverre er een samenhang bestaat tussen deze strafbare feiten en de exploitatie van een horecabedrijf. Volgens [appellante] moet geconcludeerd worden dat deze andere strafbare feiten ten onrechte hebben bijgedragen aan de gevaarsconclusie.

Beoordeling

6.1 Uithet advies van de bezwarencommissie, dat de burgemeester heeft overgenomen, volgt dat de burgemeester de door het Bureau relevantgeachte strafbare feiten al voldoende redenheeft geacht voor de weigeringvan de exploitatievergunning en de Drank- en Horecawetvergunning. Op de zittingheeft de burgemeester dit bevestigd. De burgemeester heeftde motivering van het besluitvan 1 maart 2019 aangevulddoor te verwijzen naar andere strafbare feiten,waaronder de veroordeling wegens fraude. Uit wat hiervooronder 5.4 is overwogen, volgtdat de burgemeester samenhang tussen die veroordeling en de aangevraagde vergunningen mocht aannemen. Uit wat hiervooronder 5.5 is overwogen, volgt dat de burgemeester de aangevraagde vergunningen mocht weigeren op grond van de door het Bureau relevant geachte strafbare feiten en die veroordeling. Wat [appellante] over andere strafbare feiten aanvoert, geeft dan ook geen aanleiding om de weigering van de vergunningen onrechtmatig te achten.

6.2 Hetbetoog slaagt niet.

Conclusie over het hoger beroep

7. Het hoger beroepis ongegrond. De aangevallen uitspraakmoet worden bevestigd.

8. Deburgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing

DeAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C.Slump, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J. Gundelach, leden,in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021 582.

Maak PDF van deze pagina