ECLI:NL:RVS:2021:1566

ECLI:NL:RVS:2021:1566 - Raad van State - 19-7-2021

Trefwoord(en)Geheimhoudingsplicht
Toepassingsgebied(en)Omgevingsvergunning milieu
Wetsartikel(en)Art. 28, Art. 8:29 Awb

Uitspraak

19-07-2021 Raad van State ECLI:NL:RVS:2021:1566

Instantie Raad van State

Datum uitspraak 19-07-2021

Datum publicatie 21-07-2021

Zaaknummer 202003081/3/R3

Rechtsgebieden Bestuursrecht

Bijzondere kenmerken -

Inhoudsindicatie [appellant] en anderen komen van rechtswege in beroep tegen het besluit van het

college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen van 6 april 2021 tot wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

202003081/3/R3.

Datum beslissing: 19 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, deels wonend te Pesse en deels wonend te Fluitenberg, gemeente Hoogeveen,

appellanten, en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen, verweerder.

Procesverloop

[appellant] en anderen komen van rechtswege in beroep tegen het besluit van het college van 6 april 2021 tot wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.

Het college heeft één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Het betreft de voorschriften die horen bij het besluit van het college van 6 april 2021.

Overwegingen

1. Het college heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het stuk kennis zal nemen. Het college heeft ter motivering van zijn verzoek aangevoerd dat partijen door de geheimhouding niet worden geschaad omdat geen enkel betoog met betrekking tot de voorschriften kan leiden tot vernietiging van het besluit van 6 april 2021. De voorschriften zijn namelijk gebaseerd op artikel 3, zevende lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Dat artikellid strekt niet tot de bescherming van de belangen van de partijen die zijn opgekomen tegen de omgevingsvergunning, aldus het college. Volgens het college komt verder gewicht toe aan de geheimhoudingsplicht van artikel 28 van de Wet Bibob. De voorschriften bevatten ook persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van deze derden moet worden beschermd.

2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van het college bij geheimhouding zwaarder dan het belang dat [appellant] en anderen hebben bij kennisneming van de voorschriften.

4. Dat volgens het college een betoog van [appellant] en anderen over de voorschriften niet kan leiden tot vernietiging van het besluit van 6 april 2021 omdat artikel 3 van de Wet Bibob niet strekt tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen, is op zichzelf geen gewichtige reden. Of de relativiteit in dit geval in de weg staat aan vernietiging van het besluit is namelijk een vraag die niet in de procedure over de beperkte kennisneming aan de orde is, maar in de hoofdzaak moet worden beoordeeld.

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie haar uitspraak van 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686) betekent het enkele feit dat in de Wet Bibob een regeling omtrent geheimhouding is opgenomen, niet zonder meer dat gewichtige redenen aanwezig zijn die beperking van de kennisneming rechtvaardigen. In dit geval acht de Afdeling echter zodanig gewichtige redenen aanwezig. Daarvoor is mede van belang dat de voorschriften gegevens bevatten over een derde. Naar het oordeel van de Afdeling kan het doel van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van deze derde niet voldoende worden bereikt door weglating van de gegevens van deze persoon. Door publiciteit in de media is niet uit te sluiten dat de overige informatie is te herleiden tot deze derde. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 8:29 van de Awb in samenhang met artikel 28, eerste lid, van de Wet Bibob aan de verstrekking van de gegevens in deze procedure in de weg staat.

6. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

De lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2021

Maak PDF van deze pagina