ECLI:NL:RBZWB:2021:3566

ECLI:NL:RBZWB:2021:3566 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 13-7-2021

Trefwoord(en)Betrokkene
Toepassingsgebied(en)Omgevingsvergunning bouw

Uitspraak

13-07-2021 Rechtbank Zeeland-West-Brabant ECLI:NL:RBZWB:2021:3566

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak 13-07-2021

Datum publicatie 20-07-2021

Zaaknummer AWB- 19_2330

Rechtsgebieden Bestuursrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie WABOA

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2330 WABOA

uitspraak van 13 juli 2021 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [naam woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. S.P.M. Schaap,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder,

gemachtigde: mr. T.N. Sanders.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] ,

gemachtigde: K. Snijders.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2018 (primair besluit) heeft het college aan [naam B.V. 1] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een retraitehotel in het voormalig klooster gelegen aan de [adres] . Tegen dit besluit heeft [naam derde partij] bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [naam derde partij] ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd op grond van artikel 2.20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 mei 2019 (bestreden besluit) van het college over de herroeping en intrekking van de aan [naam B.V. 1] verleende omgevingsvergunning voor zover het betreft de activiteit ‘bouwen’. Verder heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

Bij uitspraak van 21 juni 2019 (BRE 19/2329 WABOA VV) heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen, in die zin dat het bestreden beluit wordt geschorst, voor zover daarbij de bij het primaire besluit verleende omgevingsvergunning is herroepen en alsnog is geweigerd.

Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft ten aanzien van een aantal stukken verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 28 mei 2019 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de genoemde stukken gerechtvaardigd is. [naam derde partij] en eiseres hebben vervolgens toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 20 april 2021, gelijktijdig met de behandeling van de beroepen geregistreerd onder de nummers BRE 19/2280, BRE 19/3003, BRE 19/6799, BRE 20/228 en BRE 20/229. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.N. Sanders. Derde partij is verschenen bij gemachtigde en [vertegenwoordiger derde partij].

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

Feiten

1. Op 7 juli 2017 heeft [naam B.V. 1] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een retraitehotel en het kappen van 7 bomen op de locatie [adres] . Op deze aanvraag heeft het college de Wet Bibob van toepassing verklaard.

Op 27 oktober 2017 heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) advies uitgebracht. Bij brief van 9 november 2017 heeft het college aan [naam B.V. 1] het voornemen kenbaar gemaakt om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Op 20 december 2017 heeft [naam B.V. 1] haar zienswijze naar voren gebracht. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college het LBB om een aanvullend advies gevraagd. Op 28 februari 2018 heeft het LBB aanvullend advies uitgebracht.

Bij brief van 1 april 2018 heeft het college het voornemen van 9 november 2017 ingetrokken.

Bij besluit van 3 april 2018 (primair besluit) heeft het college [naam B.V. 1] de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, ‘het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of van werkzaamheden, in gevallen waarbij dat in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald’ en ‘het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht’.

Tegen dit besluit heeft [naam derde partij] op 14 mei 2018 bezwaar gemaakt.

Naar aanleiding van een wijziging van bestuurders binnen [naam B.V. 1] heeft het college bij brief van 20 juni 2018 het LBB verzocht om advies uit te brengen omtrent de aan [naam B.V. 1] verleende omgevingsvergunning. Op 3 augustus 2018 heeft het LBB advies uitgebracht.

Op 31 augustus 2018 heeft het college [naam B.V. 1] meegedeeld voornemens te zijn om de gevraagde omgevingsvergunning in heroverweging te weigeren. Op 15 oktober 2018 heeft [naam B.V. 1] haar zienswijze naar voren gebracht.

Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college het LBB om een nader advies gevraagd. Op 14 februari 2019 heeft het LBB aanvullend advies uitgebracht.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [naam derde partij] ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, en wel voor zover dit besluit ertoe strekt om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te verlenen en de aanvraag in zoverre af te wijzen.

Het college heeft aan het bestreden besluit het LBB-advies van 14 februari 2019 ten grondslag gelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de door [naam B.V. 1] aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (agrond) en dat ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Tevens hebben [naam derde partij] en [naam B.V. 1] beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de nummers BRE 19/3003 (Stichting) en BRE 19/2280 ( [naam B.V. 1] ).

Standpunt eiseres

2. Eiseres heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit is gericht aan [naam B.V. 1] en is gebaseerd op een advies dat (kennelijk) door het LBB is uitgebracht over de eigenaar van het pand. Eiseres stelt dat zij het pand het pand van [naam B.V. 1] huurt en voor eigen rekening en risico de verbouwing tot hotel laat verrichten en het hotel gaat exploiteren. Vanwege de verhuur is door [naam B.V. 1] in oktober 2018 formeel melding gedaan bij het college van overdracht van de vergunning aan haar. Met dit gegeven is blijkens het bestreden besluit geen rekening gehouden. Het besluit is gebaseerd op een advies dat uitgaat van een onjuiste situatie met betrekking tot de rechthebbende op het pand en de persoon van de vergunninghouder. Eiseres heeft geen gelegenheid gehad kennis te nemen van het aanvullende/nieuwe Bibob-advies. Zij heeft er niet op kunnen reageren. Het bestreden besluit is ook aan de verkeerde partij bekend gemaakt, althans ten onrechte niet ook aan haar, aldus eiseres. De bezwaren die zouden bestaan op grond van de Wet Bibob ten aanzien van [naam B.V. 1] of [naam persoon 1] kunnen niet aan eiseres worden tegengeworpen. Tot slot heeft eiseres betoogd dat het besluit van 10 juli 2019, waarbij de aan [naam B.V. 1] verleende omgevingsvergunning is ingetrokken, als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb in de onderhavige procedure moet worden betrokken.

Wettelijk kader

3. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

4. Met het bestreden besluit heeft het college de op 3 april 2018 aan [naam B.V. 1] verleende omgevingsvergunning herroepen en (alsnog) besloten om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een retraitehotel op de locatie [adres] af te wijzen op grond van artikel 2.20, eerste lid, Wabo jo. artikel 3, eerste lid, onder a en b van de Wet Bibob.

Procesbelang

5.1

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres voldoende procesbelang heeft.

5.2

Het college stelt dat eiseres naar eigen zeggen geen betrokkenheid meer heeft bij het retraite hotel. De huurovereenkomst met eiseres is enige tijd geleden ontbonden. Eiseres heeft volgens het college geen huurpenningen betaald, noch is zij die verschuldigd geraakt, omdat zij het gehuurde nooit heeft kunnen gebruiken. Volgens het college is niet aannemelijk dat eiseres schade heeft geleden. Hiermee is het procesbelang van eiseres volgens het college komen te vervallen.

5.3

Eiseres heeft op 9 april 2021 een vonnis van 5 februari 2020 van deze rechtbank overgelegd. Uit dit vonnis blijkt dat de vordering van [naam B.V. 1] zoals blijkt uit de dagvaarding van 25 november 2019 is toegewezen. Deze vordering hield onder meer in dat de huurovereenkomst tussen [naam B.V. 1] en eiseres wordt ontbonden, omdat eiseres niet meer in staat is om huurpenningen te voldoen. Anders dan het college meent, betekent de ontbinding van de huurovereenkomst volgens eiseres niet dat haar procesbelang is komen te vervallen. Eiseres heeft huurpenningen betaald en bovendien is de vordering van [naam B.V. 1] in verband met bestaande huurachterstand van € 211.749,98 toegewezen.

Ten gevolge van de besluitvorming van het college is het eiseres naar eigen zeggen niet gelukt om de financiering van de verdere bouw en exploitatie van het hotel rond te krijgen. Eiseres heeft betoogd hierdoor schulden te hebben gemaakt en inkomsten mis te lopen omdat de exploitatie van het hotel geen doorgang heeft kunnen vinden.

5.4

De rechtbank stelt vast dat [naam B.V. 1] op 3 april 2018 een omgevingsvergunning is verleend. Niet in geschil is dat [naam B.V. 1] op 17 oktober 2018 deze omgevingsvergunning heeft overgedragen aan eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met haar toelichting en het overgelegde vonnis van deze rechtbank van 5 februari 2020 voldoende aannemelijk heeft gemaakt belang te hebben bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de besluitvorming van het college waarbij tot herroeping en alsnog weigering van de aan [naam B.V. 1] verleende omgevingsvergunning is overgegaan. Anders dan het college stelt, heeft eiseres dan ook voldoende procesbelang.

Intrekkingsbesluit als 6:19-besluit

6.1

Eiseres heeft betoogd dat het besluit van 10 juli 2019, waarbij de aan [naam B.V. 1] verleende omgevingsvergunning is ingetrokken, als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb in de onderhavige procedure moet worden betrokken.

6.2

Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6.3

De rechtbank overweegt dat het college aan de intrekking artikel 5.19 van de Wabo en artikel 3 van de Wet Bibob ten grondslag heeft gelegd. De thans aan de orde zijnde weigering en herroeping van de vergunning is gebaseerd op artikel 2.20 van de Wabo. Het gaat derhalve om andere procedures met een ander toetsingskader. Het besluit van 10 juli 2019 is géén besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en de rechtbank zal dit besluit dan ook niet meenemen bij de beoordeling van het beroep gericht tegen het besluit van 15 mei 2019.

Bibob-onderzoek

7.1

Kern van deze zaak vormt het Bibob-onderzoek en de conclusies daaruit, die voor het college aanleiding hebben gevormd de verleende omgevingsvergunning te herroepen en alsnog vergunning te weigeren.

In artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob is bepaald dat voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking kunnen intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (hierna: a-grond), ofstrafbare feiten te plegen (hierna: b-grond).

7.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel van het advies van het LBB uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het advies van het LBB, zodat eigen inventarisatie van de onderliggende bronnen veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het LBB en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan. Zie de uitspraken van 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3237 en 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2676.

Aanleiding Bibob-onderzoek

7.3

De rechtbank stelt vast dat [naam B.V. 1] op 18 februari 2019 een aanvraag heeft ingediend voor de bouw aan de [adres] . Deze aanvraag is ondertekend door [naam persoon 2] . Het college heeft eigen onderzoek verricht naar [naam persoon 2] , omdat hij in het verleden is veroordeeld wegens onder andere het doen van onjuiste aangifte en valsheid in geschrifte. Hij is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en geldboete € 300.000. Het college heeft [naam persoon 2] in relatie gebracht met [naam persoon 1] , die pand aan de [adres] heeft gekocht via een veiling. Dit pand is via een andere onderneming in eigendom van echtgenote van [naam persoon 1] verkocht aan [naam persoon 2] , voor hetzelfde bedrag als waarvoor [naam persoon 1] het in veiling heeft gekocht. Het college heeft verder opgemerkt dat [naam persoon 2] en [naam persoon 1] buren zijn geweest. Het college heeft vragen over de rol van [naam persoon 1] bij de aan de orde zijnde aanvraag om omgevingsvergunning en heeft het LBB verzocht om advies uit te brengen ten aanzien van de aanvraag voor de omgevingsvergunning aan de [adres] .

Eerste Bibob-advies

7.4

Het LBB heeft in haar advies van 27 oktober 2017 geconcludeerd dat een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (a-grond). Een gevaar dat de aangevraagde vergunning mee zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond) is niet gebleken. Volgens het LBB staan [naam B.V. 1] en [naam persoon 1] tot elkaar in een zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder c, van de Wet Bibob.

Gelet op dit Bibob-advies komt het college met het voornemen de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.

Tweede Bibob-advies

7.5

Naar aanleiding van de door [naam persoon 2] ingediende zienswijze op het voornemen de omgevingsvergunning te weigeren heeft het college het LBB opnieuw om advies gevraagd. In het advies van 28 februari 2018 concludeert het LBB dat geen gevaar is gebleken dat de aangevraagde beschikking zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (a-grond), maar wel dat ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond). Het vermoeden bestaat dat [naam persoon 2] handelt in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, aangezien tijdens een controle op 28 november 2016 is geconstateerd dat in het pand vijf kamers werden bewoond door werknemers die bouwwerkzaamheden uitvoerden.

Het college heeft het voornemen ingetrokken en de gevraagde omgevingsvergunning op 3 april 2018 verleend.

Derde Bibob-advies

7.6

Vanwege een bestuurderswisseling bij [naam B.V. 1] heeft het college het LBB verzocht om onderzoek te doen naar de betrokkenheid van [naam persoon 1] bij [naam B.V. 1] .

In haar advies van 3 augustus 2018 heeft het LBB de organisatiestructuur van [naam B.V. 1] onderzocht. De conclusie is dat [naam persoon 1] uiteindelijk zeggenschaphebbende van [naam B.V. 1] is, aangezien hij sinds 22 juli 2016 certificaathouder is van het prioriteitsaandeel. [naam persoon 1] staat in een relevante Bibob-relatie tot [naam B.V. 1] , aldus het LBB.

Het LBB gaat in op [naam persoon 1] en zijn ondernemingen en de betrokkenheid bij (vermeende) strafbare feiten. De conclusie is dat zowel a- als b-grond aan de orde zijn.

Het college heeft vervolgens op 31 augustus 2018 aan [naam B.V. 1] medegedeeld voornemens te zijn om de gevraagde omgevingsvergunning in heroverweging te weigeren. [naam B.V. 1] heeft een zienswijze ingediend.

Vierde Bibob-advies

7.7

Het college heeft het LBB wederom om advies gevraagd naar aanleiding van de uitspraak van de AbRS van 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3717). Naar aanleiding van de door [naam B.V. 1] ingediende zienswijze is het LBB gevraagd om een nader advies uit te brengen. Op 14 februari 2019 is het aanvullend advies uitgebracht. De gevaarsconclusie blijft ongewijzigd. Het LBB is nog steeds van oordeel dat een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen te benutten (a-grond). Daarnaast blijft het LBB van oordeel dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond).

Overdracht vergunning aan [naam eiseres]

8.1

Op 17 oktober 2018 is door [naam B.V. 1] gemeld dat de in geding zijnde vergunning is overgedragen aan eiseres. Op grond van artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo geldt dat na overdracht de vergunning gaat gelden voor de ander dan de aanvrager. Dit betekent dat na 17 oktober 2018 eiseres vergunninghoudster is.

8.2

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit op 15 mei 2019 bekend is gemaakt door toezending aan [naam B.V. 1] en aan mr. Rijs als vertegenwoordiger van [naam B.V. 1] . Het bestreden besluit is niet aan eiseres bekendgemaakt.

Op moment van het bestreden besluit was [naam B.V. 1] echter geen vergunninghoudster meer, omdat de vergunning was overgedragen aan eiseres. Dat betekent dat het bestreden besluit ten onrechte niet aan eiseres bekend is gemaakt. De rechtbank zal dit gebrek passeren omdat niet is gebleken dat eiseres hierdoor in haar belangen is geschaad. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had zij immers dezelfde gemachtigde als [naam B.V. 1] – mr. Rijs – aan welke gemachtigde het besluit is toegezonden en zij heeft zelf wel tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Toerekenen van de Bibob-bezwaren aan eiseres

9.1

Op het moment dat de vergunning is herroepen, was eiseres vergunninghoudster. De bezwaren die op grond van de Wet Bibob bestonden tegen de vergunningverlening zijn echter gericht tegen [naam B.V. 1] en niet tegen eiseres. De rechtbank zal dienen te beoordelen of de bezwaren die tegen [naam B.V. 1] bestonden ook aan eiseres kunnen worden toegerekend en of de omgevingsvergunning op grond daarvan kon worden herroepen en alsnog kon worden geweigerd.

9.2

De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit door het college niet is ingegaan op de relatie tussen [naam B.V. 1] en eiseres en daarmee ook niet op de vraag of de bezwaren die op grond van de Wet Bibob bestonden tegen [naam B.V. 1] ook gelden voor eiseres. Het bestreden besluit kent in zoverre een motiveringsgebrek. Het beroep is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

9.3

De rechtbank zal nagaan of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

[naam B.V. 1] of eiseres als vergunninghoudster

10.1

In het verweerschrift van 18 november 2020 heeft het college aangegeven dat het feit dat eiseres als huurder in de procedure is gekomen géén gevolgen heeft voor het bestreden besluit. Volgens het college heeft het bestaan van eiseres geen effect op de inhoud van het bestreden besluit.

Het college stelt op de eerste plaats dat eiseres nooit vergunninghouder is geworden. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Op 17 oktober 2018 is door [naam B.V. 1] gemeld dat de in geding zijnde vergunning is overgedragen aan eiseres. Zij is daarmee vergunninghoudster geworden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel.

10.2

Het college stelt vervolgens in het verweerschrift dat als eiseres al vergunning-houdster is geworden, dat niet afdoet aan het feit dat [naam B.V. 1] ook vergunninghouder is gebleven.

Voor het door het college ingenomen standpunt dat na de melding ex artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo er twee vergunninghouders zijn, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo dat na overdracht de vergunning gaat gelden voor een ander dan de aanvrager. Dat betekent dat vanaf de op 17 oktober 2018 gedane melding ex artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo de vergunninghouder niet meer [naam B.V. 1] , maar eiseres is.

Zakelijk samenwerkingsverband

10.3

Tot slot stelt het college in het verweerschrift van 18 november 2020 dat als eiseres vergunninghoudster is geworden en [naam B.V. 1] niet langer vergunninghoudster zou zijn, dat niet betekent dat de bezwaren die op grond van de Wet Bibob bestaan tegen [naam B.V. 1] niet aan eiseres tegengeworpen kunnen worden. Er is volgens het college in dat geval sprake van een gelijk te stellen partij als bedoeld in artikel 2.20 van de Wabo en/of een zakelijk samenwerkingsverband tussen [naam B.V. 1] en eiseres.

Het college wijst erop dat [naam eiseres] is opgericht op 31 oktober 2018, twee weken na de melding ex artikel 2.25 van de Wabo op 17 oktober 2018. De melding is gedaan door [naam echtgenote] , echtgenote van [naam persoon 1] , die middellijk eigenaar van [naam B.V. 1] is. De melding is in persoon door [naam persoon 1] afgegeven. Eiseres zelf heeft geen melding verricht, ook niet toen huurovereenkomst werd ontbonden en betrokkenheid van eiseres eindigde. Het college stelt verder dat [naam bestuurder] , bestuurder van eiseres, nooit in persoon is gezien, geen zichtbaar vermogen heeft of ervaring met horeca en bouw. Het college acht het niet geloofwaardig dat een onervaren partij zonder financiële middelen een project als hier aan de orde op zich zou nemen. Verder heeft eiseres volgens het college nooit huurpenningen betaald en heeft eiseres geen kenbare financieringsbron. Het vermoeden bestaat dat het vermogen afkomstig is uit [naam B.V. 1] of een andere vennootschap van [naam persoon 1] . Het college benadrukt dat [naam persoon 1] vaker schijnconstructies gebruikt om de Wet Bibob te omzeilen. De huisadvocaat van [naam persoon 1] , mr. Rijs, trad ook op namens eiseres. [naam B.V. 1] heeft het klooster aan de [adres] verworven van [naam B.V. 2] , een onderneming van de echtgenote van [naam persoon 1] . De oprichting van eiseres is gedaan bij de vaste notaris van [naam persoon 1] . De verbouwing wordt volgens het college uitgevoerd door [naam B.V. 1] . Eiseres is hierbij niet betrokken. Bovendien is [naam B.V. 1] als beheerder aangewezen in de huurovereenkomst. Eiseres heeft geen feitelijke zeggenschap.

De rechtbank volgt het standpunt van het college dat uit de door het college geschetste omstandigheden kan worden afgeleid dat sprake is van een gelijk te stellen partij als bedoeld in artikel 2.20 van de Wabo. Dat betekent dat hetgeen [naam B.V. 1] en [naam persoon 1] wordt tegengeworpen ook aan eiseres kan worden tegengeworpen. Dat betekent ook dat het feit dat de omgevingsvergunning is overgedragen aan eiseres, geen doorslaggevende betekenis heeft voor het besluit.

Weigeringsgronden

11. Het college heeft de herroeping en weigering van de omgevingsvergunning onder meer gebaseerd op de in het advies van het LBB van 14 februari 2019. Het LBB is van mening dat een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen te benutten (a-grond). Daarnaast blijft het LBB van oordeel dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond).

a-grond

12.1

Bij de toepassing van de a-grond moet worden beoordeeld of ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Huurpenningen die zijn verkregen door met wet- en regelgeving strijdige ingebruikneming of verhuur van panden, kunnen als zodanig voordeel worden aangemerkt. Verbeurde dwangsommen, noch de kosten van bestuursdwang, noch de kosten van aanpassingen aan de woningen kunnen daarop in mindering worden gebracht. Deze kosten staan los van het verkregen voordeel en zijn niet relevant voor het bepalen van de omvang daarvan. (Zie ook de uitspraak van de AbRS van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3717.)

12.2

Het college betoogt dat sprake is van verkregen voordeel (a-grond). De huurpenningen die zijn verkregen door verhuur van woningen die volgens de wet- en regelgeving niet hadden mogen worden verhuurd, moeten volgens het college worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het college heeft in het (nader) verweerschrift van 6 april 2021, ingediend in de procedure BRE 19/2880, en ter zitting toegelicht dat het LBB-advies van 14 februari 2019 niet meer actueel is. Vanwege recente uitspraken van de AbRS worden feiten genoemd in het LBB-advies naar huidig inzicht niet langer als overtreding aangemerkt. De tabel die is opgenomen in het verweerschrift dient als correctie op dit LBB-advies te worden aangemerkt. Volgens het college blijven voor de a-grond echter nog wel voldoende redenen over om aan te nemen dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Uit de panden [adres pand 1] , [adres meerdere panden] en [adres pand 2] is volgens de ter zitting door het college gegeven toelichting sprake van een voordeel van € 138.000,-. Dit is volgens het college een zeer groot voordeel en is voldoende voor het aannemen van ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten.

12.3

Eiseres wijst erop dat het LBB de panden [adres meerdere panden] niet heeft opgenomen omdat het voordeel niet was vast te stellen. Het college grijpt zonder overleg terug op een ouder advies. Volgens eiseres kan alleen het pand [adres pand 1] nog aan de a-grond ten grondslag worden gelegd. Bij dit pand is echter géén sprake van een groot voordeel. De eerder door het college gemaakte berekening is niet correct, omdat het vierde LBB-advies van 14 februari 2019 is achterhaald.

12.4

De rechtbank begrijpt dat het vierde LBB-advies van 14 februari 2019 niet langer door het college aan het bestreden besluit ten grondslag wordt gelegd ter onderbouwing van het ernstige gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten. De in het verweerschrift van 6 april 2021 opgenomen tabel dient als correctie op het LBB-advies. Deze tabel gaat uit van de actuele stand van zaken na recente jurisprudentie van de AbRS. Er worden minder feiten ten grondslag gelegd aan het besluit en aan de vrees voor ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in de a-grond.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het verweerschrift onvoldoende inzicht gegeven in de afweging van de feiten en de vraag of deze feiten voldoende zijn om het criterium ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in de a-grond te dragen. De enkele stelling van het college dat er voor de a-grond voldoende feiten overblijven om de conclusie ‘ernstig gevaar’ te dragen, is daartoe onvoldoende. De toelichting in het verweerschrift van 6 april 2021 acht de rechtbank ontoereikend als onderbouwing en berekening dat een zeer groot voordeel resteert, mede omdat in de overgelegde LBB-adviezen een berekening ontbreekt van het met de resterende panden verworven bedrag. Bovendien ontbreekt een motivering waarom het college het gevaar dat het berekende bedrag zal worden gebruikt om het retraitehotel (mede) te financieren nog steeds ernstig acht, mede gezien het tijdsverloop sinds het verwerven van dit bedrag.

Het college zal het ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in de a-grond opnieuw dienen te motiveren.

b-grond

13.1

Bij de toepassing van de b-grond moet worden beoordeeld of ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

In de memorie van toelichting op de Wet Bibob staat dat het Bibob-instrumentarium is bedoeld om bestuursorganen te informeren over het gevaar dat subsidies of vergunningen worden misbruikt ten behoeve van criminele activiteiten, derhalve over de risico's dat door die subsidies of vergunningen criminaliteit wordt gefaciliteerd (Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, p.19). Beoogd wordt te voorkomen dat door het verlenen van vergunningen de overheid onbedoeld criminele activiteiten zou faciliteren (p. 6). Bij amendement [namen personen] is de bouwvergunning onder de reikwijdte van de Wet Bibob gebracht. Daarmee werd beoogd het tegengaan van witwassen van crimineel geld - hetgeen onder de a-grond valt - en het tegenhouden van ongewenste activiteiten in onroerend goed. (Kamerstukken II, 2001-2002, 26 883, nrs. 27 en 45, p.13-14).

Gelet op de wetsgeschiedenis gaat het naar het oordeel van de rechtbank, wat de b-grond betreft, niet om het gevaar dat overtredingen worden gepleegd bij de bouwactiviteiten zelf, zoals het niet-naleven van vergunningvoorschriften en regels over arbeidsomstandigheden en tewerkstelling van vreemdelingen, maar om het gevaar dat het bouwwerk wordt gebruikt voor criminele activiteiten. Zie ook de uitspraak van de AbRS van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3717.

13.2

Het college wijst op het feit dat in het LBB-advies van 14 februari 2019 dertig adressen waren opgenomen waarbij sprake zou zijn van een overtreding. In het verweerschrift van 6 april 2021 en ter zitting heeft het college het standpunt ingenomen dat een aantal adressen niet langer kan bijdragen aan de vrees voor de b-grond. Er blijven volgens het college echter nog 13 adressen over waar sprake is geweest van overtreding.

Bovendien is sprake van handelen in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen en zijn er gewelds- en intimatiedelicten geweest.

Volgens het college blijven er voldoende feiten en omstandigheden over om de vrees als bedoeld in de b-grond op te kunnen baseren. Het is niet verplicht om het LBB opnieuw om advies te vragen. De beoordeling of sprake is van ernstig gevaar ligt bij het college. Met name de ernst van de feiten en het patroon is voldoende om vrees aan te nemen.

13.3

De rechtbank begrijpt dat het vierde LBB-advies van 14 februari 2019 ook niet langer door het college aan het bestreden besluit ten grondslag wordt gelegd ter onderbouwing van het ernstige gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Net als bij de a-grond geldt dat de in het verweerschrift opgenomen tabel dient als correctie op het LBB-advies. Deze tabel gaat uit van de actuele stand van zaken. Ten aanzien van de b-grond worden er minder feiten ten grondslag gelegd om het criterium ‘ernstig gevaar’ te onderbouwen.

Evenals ten aanzien van de a-grond is de rechtbank ten aanzien van de b-grond van oordeel dat het college in het verweerschrift onvoldoende inzicht heeft gegeven in de afweging van de feiten en de vraag of de resterende feiten voldoende zijn om het criterium ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in de b-grond te dragen.

Het college zal ook het ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in de b-grond opnieuw dienen te motiveren. Hierbij zal het college met name in dienen te gaan op de ernst van de gepleegde overtredingen, het aantal overtredingen, mede gezien in relatie tot het aantal panden in beheer bij (ondernemingen van) [naam persoon 1] , en het tijdsverloop, alsmede de relatie tussen deze factoren.

Conclusie

14.1

Zoals de rechtbank in overweging 9.2 reeds heeft aangegeven is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit vernietigd te worden vanwege het feit dat het college in bestreden besluit niet heeft toegelicht hoe de bezwaren die tegen [naam B.V. 1] en [naam persoon 1] ook gelden voor eiseres.

De rechtbank heeft bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

In het verweerschrift van 18 november 2020 heeft het college afdoende toegelicht dat de bezwaren die tegen [naam B.V. 1] en [naam persoon 1] bestaan, ook gelden voor eiseres. Echter, nu zowel ten aanzien van de a-grond als ten aanzien van de b-grond het college onvoldoende heeft toegelicht dat, gelet op de gewijzigde motivering in het verweerschrift van 6 april 2021, aan het criterium ‘ernstig gevaar’ wordt voldaan en de afweging onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, is sprake van een motiveringsgebrek en kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand blijven. Het college zal een nieuwe afweging dienen te maken van de mate van gevaar ten aanzien van zowel de a als de b-grond.

14.2

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-draagt het college op om binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

-draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;

-veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. G.M.J. Kok, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 13 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Maak PDF van deze pagina