ECLI:NL:RBROT:2020:2394

ECLI:NL:RBROT:2020:2394 - Rechtbank Rotterdam - 17-3-2020

Trefwoord(en)Zakelijk samenwerkingsverband

Uitspraak

17-03-2020 Rechtbank Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2020:2394

Instantie Rechtbank Rotterdam

Datumuitspraak 17-03-2020

Datumpublicatie 25-03-2020

Zaaknummer ROT 18/3627

Rechtsgebieden Bestuursrecht

Bijzonderekenmerken Eerste aanleg –meervoudig

Inhoudsindicatie Inhoudsindicatie niet geleverd.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3627

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. I.A. Kamans,

en

de burgemeester van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 17 december 2019 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

Bij brief van 22 januari 2020 heeft verweerder gebruik gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.

Bij brief van 18 februari 2020 heeft eiseres hierop gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak zal worden gedaan

Overwegingen

1. Voor de van belang zijnde feiten, de standpunten van partijen en de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, terwijl verweerder een actueel zakelijk samenwerkingsverband tot uitgangspunt heeft genomen, eiseres voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het zakelijke samenwerkingsverband ten tijde van het bestreden besluit al was verbroken.

3. Verweerder heeft in zijn brief van 22 januari 2020 zijn standpunt dat het zakelijke samenwerkingsverband ten tijde van het bestreden besluit nog actueel was, nader gemotiveerd. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het zakelijke samenwerkingsverband, ervan uitgaande dat dit is verbroken, ten tijde van het bestreden besluit nog steeds een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob opleverde. Eiseres heeft beide standpunten bestreden.

4. De rechtbank ziet in wat verweerder heeft aangevoerd in zijn brief van 22 januari 2020 geen aanleiding om af te wijken van het voorlopige oordeel dat het zakelijke samenwerkingsverband ten tijde van het bestreden besluit al was verbroken. Verweerder heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [naam 1] en [naam 2] ten tijde van het bestreden besluit nog bij het café betrokken waren, in financieel opzicht of anderszins. Het enkele feit dat mogelijk sprake is van openstaande rekeningen tussen eiseres / [naam 3] en [naam 1] en [naam 2] is onvoldoende om te spreken van een actueel zakelijk samenwerkingsverband. Met betrekking tot de stelling van verweerder dat [naam 1] en [naam 2] feitelijk mede-eigenaar van het café zijn, verwijst de rechtbank naar overweging 5.5 (slot) van de tussenuitspraak.

5. Verweerder heeft, ter onderbouwing van zijn subsidiaire standpunt, aangevoerd dat na het Bibob- advies de financiële relatie tussen eiseres / [naam 3] en [naam 1] en [naam 2] niet geheel is beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het Bibob-advies bevat concrete aanwijzingen dat [naam 1] en [naam 2] bepaalde (financiële) belangen hadden in het café. Verder is in het verslag van het zienswijzegesprek op 25 augustus 2017 vermeld dat [naam 3] heeft verklaard dat hij bij [naam 1] een schuld heeft van € 7.500,--, dat [naam 1] en [naam 2] € 3.000,-- hebben ingebracht in het café en dat hij nog geld krijgt van [naam 1] . Dat [naam 3] deze feiten later heeft betwist, betekent niet dat verweerder de inhoud van het verslag niet zou mogen meewegen. Eiseres heeft in haar brief van 18 februari 2020 gesteld dat de rekeningen al lang geleden zijn vereffend, maar deze stelling heeft zij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er rekening mee moet worden gehouden dat [naam 1] en [naam 2] de openstaande rekeningen op enig moment zullen willen vereffenen.

6. Verder heeft verweerder aangevoerd dat familieleden van [naam 1] en [naam 2] als beheerder op de vergunning waren bijgeschreven, zodat [naam 1] en [naam 2] ook via hen invloed hebben kunnen aanwenden. Volgens verweerder heeft eiseres, nadat het Bibob‑advies bekend was geworden, geen verzoek tot wijziging van de lijst van beheerders ingediend. Verweerder heeft verwezen naar de tapverslagen. Hierin is een verslag van een telefoongesprek tussen [naam 3] en [naam 1] opgenomen, waarin [naam 3] vraagt om de gegevens van de oom van [naam 2] , kennelijk om deze als beheerder aan te melden. Eiseres heeft deze stellingen van verweerder onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank acht deze stellingen daarom voldoende aannemelijk.

7. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat eiseres/ [naam 3] en [naam 1] en [naam 2] in het verleden vaker hebben samengewerkt, namelijk ook in het kader van de exploitatie van [naam horecagelegenheid]. Eiseres heeft dit niet betwist.

8. De rechtbank begrijpt de hiervoor in 5 tot en met 7 weergegeven motivering van verweerders subsidiaire standpunt aldus dat, ook als aangenomen moet worden dat van een – intensieve – samenwerking tussen eiseres/ [naam 3] en [naam 1] en [naam 2] geen sprake meer is, er niettemin aanwijzingen zijn dat de banden niet geheel zijn verbroken, en dat daarom het risico bestaat dat [naam 1] en [naam 2] in de toekomst opnieuw bij het café betrokken zullen raken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee zijn standpunt dat het zakelijke samenwerkingsverband, ervan uitgaande dat dit is verbroken, ten tijde van het bestreden besluit nog steeds een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob opleverde, voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank let hierbij ook op het aantal, de duur en de aard van de in het advies van het Bureau Bibob ten aanzien van [naam 1] en [naam 2] vermelde strafbare feiten.

9. Hoewel dus het primaire standpunt van verweerder geen stand houdt, heeft verweerder met zijn subsidiaire standpunt alsnog toereikend gemotiveerd dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Hieruit volgt dat verweerder het motiveringsgebrek heeft hersteld.

10. De beroepsgrond dat niet is voldaan aan het samenhangcriterium van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob, faalt. Verweerder heeft kunnen oordelen dat aan drugs en geweld gerelateerde strafbare feiten zich met regelmaat voordoen in horecabedrijven, zodat op die grond samenhang kan worden aangenomen.

11. De beroepsgrond dat sprake is van een onevenredige maatregel, slaagt evenmin. Verweerder heeft het algemeen belang (het voorkomen dat de overheid het plegen van strafbare feiten faciliteert) zwaarder mogen laten wegen dan de nadelige gevolgen van de intrekking van de vergunningen voor eiseres.

12. Omdat het bestreden besluit een gebrek bevat, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder heeft het gebrek echter hersteld. Daarom zal de rechtbank (op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

13. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de brief van 18 februari 2020, met

een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 338,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. A.S. Flikweert, leden, in aanwezigheid van drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat De voorzitter is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en tegen de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Maak PDF van deze pagina