BB9507 - Rechtbank Maastricht - 14-11-07

BB9507 - Rechtbank Maastricht - 14-11-2007

Trefwoord(en)Overlegging stukken aan de rechter
Toepassingsgebied(en)Omgevingsvergunning bouw
Wetsartikel(en)Art. 8:29 Awb, Art. 8:31 Awb, Art. 8:42 Awb

Hoofdpunten

  • Zie tevens: 30-12-2008 Rechtbank Maastricht LJN: BH0388.
  • De uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening.
  • Ondanks verzoek daartoe door de voorzieningenrechter, heeft het college van B&W van het bestuursorgaan Maastricht de adviezen en adviesaanvragen niet aan de rechter overgelegd. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb zal de rechter daar conclusies aan verbinden.
  • In principe worden er – gezien het onomkeerbare karakter – geen bouwvergunningen verleend bij voorlopige voorziening.
  • In casu wordt van dat principe niet afgeweken, aangezien andere gedingstukken en hetgeen ter zitting is verklaard geen aanleiding vormen om op voorhand te oordelen dat het ernstige gevaar en daarmee de weigering evident onjuist zijn.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

 

 

Procedurenummer: AWB 07 / 1674 WW44 VV ZWA

 

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

inzake

 

[verzoeker],

wonende te Maastricht, verzoeker,

 

tegen

 

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht (Domein Stadsontwikkeling, Economie en Beheer),

gevestigd te Maastricht, verweerder.

 

Datum bestreden besluit: 29 augustus 2007

Kenmerk: SEB 06-1116B

Behandeling ter zitting: 26 oktober 2007 en 7 november 2007

 

  1. Ontstaan en loop van het geding.

 

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 29 augustus 2007 heeft verweerder op grond van artikel 7, eerste lid, juncto artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB) geweigerd verzoeker vergunning te verlenen voor het bouwen van twee woonwagens, een tuinhuis, een loods en een keet.

 

Tegen dat besluit heeft verzoeker bij schrijven van 4 oktober 2007 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen indienen bij verweerder.

 

Bij schrijven van dezelfde datum heeft de gemachtigde van verzoeker, mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht, zich voorts gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te treffen.

 

Verweerder heeft op 15 oktober 2007 een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Deze stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.

 

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 26 oktober 2007, alwaar verzoeker

is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. S. Gangabisoensingh, ambtenaar der gemeente. Het onderzoek ter zitting is aangehouden teneinde verweerder gelegenheid te geven nadere stukken, waaronder een advies en aanvullend advies van het het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (door verweerder aangeduid als het Landelijk Bureau Bibob, hierna afgekort als LLB) van 4 mei respectievelijk 14 augustus 2007, over te leggen.

 

Bij schrijven van 29 oktober 2007 heeft de griffier van de rechtbank verweerder verzocht behalve voornoemde adviezen tevens nog een aantal met name genoemde stukken aan de voorzieningenrechter toe te zenden.

 

Bij schrijven van 2 november 2007 heeft verweerder de voorzieningenrechter de gevraagde stukken doen toekomen, met de mededeling dat het advies en het aanvullend advies van het LLB alsmede de daaraan ten grondslag liggende aanvragen, worden verstrekt op basis van geheimhouding ex artikel 8:29 van de Awb en dat deze stukken daarom niet aan verzoekers gemachtigde zullen worden toegezonden.

 

Bij beslissing van 6 november 2007 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb, overwogen dat zich geen gewichtige redenen voordoen die aanleiding zouden moeten zijn voor de door verweerder verzochte beperkte kennisneming van stukken en is het verzoek om geheimhouding afgewezen.

 

Verweerder heeft naar aanleiding van deze beslissing verzocht de stukken ten aanzien waarvan om geheimhouding was verzocht aan verweerder terug te sturen. Gelet hierop en op artikel 9, derde lid, van de Landelijke procesregeling bestuursrecht, heeft de rechtbank deze stukken op 6 november 2007 aan verweerder teruggezonden.

 

Op 7 november 2007 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Op deze zitting zijn verzoeker, diens gemachtigde alsook voornoemde gemachtigde van verweerder wederom ter zitting verschenen.

 

  1. Overwegingen

 

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

 

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel meergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

 

De voorzieningenrechter stelt vast dat namens verzoeker bezwaar is gemaakt tegen het besluit van verweerder van 29 augustus 2007 ter zake waarvan de voorlopige vorziening is gevraagd en dat deze rechtbank bevoegd moet worden geacht om van de (mogelijke) hoofdzaak kennis te nemen.

 

Ten aanzien van de vraag of in dit geval aan het vereiste van de spoedeisendheid van het treffen van een voorlopige voorziening is voldaan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

 

 

Artikel 44a van de Woningwet luidt, voor zover hier van belang:

  1. In afwijking van artikel 44, eerste lid, en artikel 56a, tweede en derde lid, kan de reguliere bouwvergunning tevens worden geweigerd:
  2. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een aanvrager van de bouwvergunning gelijk kan worden gesteld;
  3. (…)
  4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onderdeel a, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur , bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

 

Artikel 3, van de Wet BIBOB luidt, voor zover hier van belang:

  1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
  2. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten

 

Verweerder heeft de door verzoeker aangevraagde bouwvergunning geweigerd op grond van met name een door het LLB met betrekking tot de bouwvergunningaanvraag van verzoeker uitgebracht negatief advies. In dit advies geeft het LLB aan dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Verweerder onderschrijft blijkens het bestreden besluit dit advies.

 

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen houdende dat hij wordt behandeld als ware hij in het bezit van de gevraagde bouwvergunning, respectievelijk dat het hem wordt vergund om een aanvang te nemen met realisatie van de bouwplannen, subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren.

Verzoeker exploiteert een autohandel. Het bedrijfsterrein met kantoorunit waarover hij beschikt is niet voorzien van elektra, gas- en/of wateraansluitingen, noch van sanitaire voorzieningen. Er is geen vaste telefoonverbinding en geen fax. De kantoorunit heeft geen verwarming. Verzoeker moet concurreren met autohandelaren in de buurt die wel over een bedrijfshal, stroom etcetera beschikken. Het niet kunnen realiseren van zijn bouwplannen gaat volgens verzoeker ten koste van de omzet van verzoekers bedrijf. Verzoeker verwacht dat het nog lang zal duren voordat over het bodemgeschil onherroepelijk uitspraak is gedaan. Verzoeker kan daar niet op wachten. Mocht hij uiteindelijk in het gelijk worden gesteld, dan heeft hij, indien hij de bouwplannen thans reeds mag realiseren, tijdwinst geboekt en de schade kunnen beperken. Verzoeker stelt dat hij daarom een groot (bedrijfs)belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

 

Verweerder heeft de spoedeidendheid van de gevraagde voorziening betwist. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de hoorzitting op 13 november aanstaande zal plaatsvinden waarna uiterlijk 12 december aanstaande een beslissing op het bezwaar zal worden genomen. Verweerder heeft in de tweede plaats aangevoerd dat verzoeker ervoor heeft gekozen om de autosloopactiviteiten te staken en zich voortaan te richten op de verkoop van auto's en dat in verband met het beëindigen van de sloopactiviteiten een fors bedrag aan verzoeker is uitgekeerd. Verweerder is van mening dat derhalve niet kan worden gesteld dat verzoeker thans voor zijn familie geen inkomen kan genereren. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij verwacht dat er vanuit het oogpunt van een ruimtelijke ordening geen beletselen bestaan om de bouwvergunning te verlenen.

 

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van een besluit tot weigering van een bouwvergunning, inhoudende dat het de verzoeker wordt toegestaan om de bouwplannen aan te vangen of te realiseren, in het algemeen te verstrekkend, gelet op het onomkeerbare karakter hiervan. In uitzonderlijke omstandigheden zal hiertoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel kunnen worden overgegaan, bijvoorbeeld indien het besluit tot weigering van de bouwvergunning evidente gebreken vertoont en bovendien zodanig urgente belangen van de verzoeker bij het realiseren van de bouwplannen in het geding zijn dat de bodemprocedure in redelijkheid niet kan worden afgewacht.

 

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder heeft nagelaten voor de beoordeling van de onderhavige verzoeken relevante stukken, te weten de adviezen van het LLB en de daaraan ten grondslag liggende aanvragen, te overleggen, hoewel daar expliciet om is verzocht en er - mede gelet op de beschikking van de rechtbank van 6 november 2007 - voorshands geen aanleiding bestaat te oordelen dat verweerder het overleggen van deze stukken achterwege kon laten. De voorzieningenrechter zal ingevolge artikel 8:31 van de Awb uit dit nalaten van verweerders de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

 

De voorzieningenrechter beschikt wel over de bij het besluit tot weigering van de bouwvergunning behorende reactie van verweerder op de door verzoeker, nadat deze inzage had gehad in het advies van het LLB van 4 mei 2007, ingediende zienswijze tegen het voornemen de bouwvergunning te weigeren. Gelet op deze reactie, de andere gedingstukken en hetgeen ter zitting is verklaard kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand worden geoordeeld dat verweerders standpunt, inhoudende dat er, gelet op de samenwerking tussen verzoeker en zijn vader, een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, evident onjuist is of dat de bouwvergunning anderszins evident ten onrechte is geweigerd. De voorzieningenrechter ziet daarom in dit geval geen aanleiding om af te wijken van voornoemd uitgangspunt dat een voorlopige voorziening als thans gevraagd, wegens het onomkeerbare karakter, niet voor toewijzing in aanmerking komt. De namens verzoeker naar voren gebrachte stelling dat hij in een acute financiële noodsituatie zou verkeren acht de voorzieningenrechter onvoldoende concreet onderbouwd.

 

Nu ook overigens niet van enig dringend belang aan de zijde van verzoeker is kunnen blijken, ontbeert het verzoek om een voorlopige voorziening het ingevolge artikel 8:81 van de Awb vereiste spoedeisend belang, zodat dit verzoek reeds hierom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Aan een verdere beoordeling van dit verzoek komt de voorzieningenrechter derhalve niet toe.

 

Gelet op artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

 

  1. Beslissing

 

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

 

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Maak PDF van deze pagina