BB6298 - Raad van State - 24-10-07

BB6298 - Raad van State - 24-10-2007

Trefwoord(en)Feiten en omstandigheden die redelijkerwijs ..., Aard van de relatie, Strafbaar feit ter verkrijging
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning growshop
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 6

Hoofdpunten

  • r.o. 2.4.1. Een niet-uitgekochte ex-vennoot, die vermogen in een vof heeft gestoken, staat in een niet nader gedefinieerde relatie tot de betrokkene.
  • r.o. 2.4.1. Dat de betrokkene zelf nooit veroordeeld of verdachte is geweest in een strafrechtelijk onderzoek, doet niets af aan het ernstig vermoeden dat de betrokkene bij strafbare feiten betrokken is. Niet duidelijk is in hoeverre deze overweging op de individuele betrokkenheid bij strafbare feiten van de betrokkene toeziet.
  • r.o. 2.4.1. Dat de betrokkene uiteindelijk wel aan zijn verplichtingen jegens de Belastingdienst voldaan heeft, neemt niet weg dat hem vergrijpboetes van 50% opgelegd zijn.
  • r.o. 2.4.1. Het gebruik van vergrijpboetes als "feiten en omstandigheden die doen vermoeden" lijkt hiermee impliciet geaccepteerd.
  • r.o. 2.4.1. De weigering mede op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet BIBOB houdt stand. In het advies wordt vermeld dat de betrokkene onjuiste jaarrekeningen heeft overgelegd. Voorts heeft hij niet naar waarheid verklaard over schulden aan de Belastingdienst.

Uitspraak

200702469/1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2007

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

 

Uitspraak op het hoger beroep van:

 

[appellant], wonend te [woonplaats],

 

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/117 en 07/65 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 22 februari 2007 in het geding tussen:

 

appellant

 

en

 

de burgemeester van Venlo.

 

  1. Procesverloop

 

Bij besluit van 28 juli 2006 heeft de burgemeester van Venlo (hierna: de burgemeester) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor de exploitatie van de [growshop] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de inrichting).

 

Bij besluit van 4 december 2006 heeft de burgemeester het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

 

Bij uitspraak van 22 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

 

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

 

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2007, heeft de burgemeester van antwoord gediend.

 

Bij brief van 23 juli 2007 heeft appellant de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

 

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, en de burgemeester, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

 

  1. Overwegingen

 

2.1.   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet Bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

  1.  uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
  2.  strafbare feiten te plegen.

 

   Ingevolge het zesde lid hebben bestuursorganen eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

 

   Paragraaf 3a van de Algemene plaatselijke verordening Venlo (hierna: de APV) heeft betrekking op het toezicht op winkelbedrijven.

 

   Ingevolge artikel 2:35, aanhef en onder a, van de APV wordt in die paragraaf verstaan onder inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop, headshop of growshop.

 

   Ingevolge artikel 2:35a van de APV is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een inrichting te exploiteren.

 

   Ingevolge artikel 2:35d, eerste lid, van de APV moet voor het verkrijgen van een vergunning een aanvraag bij het bevoegd gezag worden ingediend aan de hand van een door het bevoegd gezag vast te stellen formulier.

 

   Ingevolge artikel 2:35f, vierde lid, van de APV kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

 

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan, voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

 

2.2.   Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 juli 2006 heeft de burgemeester op grond van artikel 2:35f, vierde lid, van de APV geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor de exploitatie van de inrichting, omdat hij op grond van het advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het advies) tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet Bibob, artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet en artikel 3, zesde lid, van die wet, gelezen in samenhang met hoofdstuk 12 van het Wetboek van Strafrecht. Deze conclusie is, zo blijkt onder meer uit het besluit op bezwaar, gebaseerd op de omstandigheden dat een voormalige vennoot van de [growshop] meermalen is veroordeeld voor opiumdelicten, dat de inrichting mede is gefinancierd door gelden afkomstig van deze voormalige vennoot, waarvan aannemelijk is dat ze afkomstig zijn uit de handel in verdovende middelen, dat ook appellant op grond van een aantal gebeurtenissen in verband wordt gebracht met de handel in verdovende middelen, dat appellant staat vermeld in de Bijzondere Registers van de politieregio Limburg-Noord als zogenoemd CIE-subject, dat het ernstige vermoeden bestaat dat in en vanuit de inrichting is gehandeld in verdovende middelen en dat appellant onjuiste gegevens heeft verstrekt ter verkrijging van de vergunning.

 

2.3.   Anders dan appellant betoogt is niet gebleken dat de voorzieningenrechter, ondanks het feit dat appellant hem geen toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, uit het advies heeft geciteerd en dit als onderbouwing heeft gebruikt voor zijn overwegingen. De burgemeester heeft in zijn besluit op bezwaar en in de gevoerde correspondentie die deel uitmaakt van het dossier verwezen naar gegevens die ook in het advies zijn opgenomen. De voorzieningenrechter kon derhalve, zonder kennisneming van het advies, naar die gegevens verwijzen.

 

2.4.   Appellant betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester aannemelijk kon achten dat het door zijn voormalige mede-vennoot geïnvesteerde bedrag in de inrichting afkomstig is uit handel in verdovende middelen, dat structureel is gehandeld in strijd met de administratie- en bewaarplicht en dat het ernstige vermoeden bestaat dat hij zelf betrokken is geweest bij handel in verdovende middelen. Daartoe stelt appellant, samengevat weergegeven, dat hij de herkomst van het geïnvesteerde geld heeft kunnen verklaren en dat hij nooit is vervolgd en ook nooit betrokken is geweest in een strafrechtelijk onderzoek naar overtreding van de Opiumwet. De gegevens waarnaar de voorzieningenrechter verwijst zijn volgens appellant onvoldoende om een ernstig vermoeden van betrokkenheid bij handel in verdovende middelen te dragen. Voorts heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat geen sprake is geweest van opzet bij het overtreden van de administratie- en bewaarplicht en dat appellant alsnog aan die verplichtingen jegens de Belastingdienst heeft voldaan. Nu appellant de inrichting al jaren voordat de vergunningplicht in 2005 is ingevoerd heeft geëxploiteerd, mocht hij er op vertrouwen dat hij een vergunning zou krijgen, aldus appellant.

 

2.4.1.   Appellant heeft de Afdeling de aan de voorzieningenrechter onthouden toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De Afdeling heeft op grond van die bepaling kennis genomen van het door de burgemeester vertrouwelijk overgelegde advies.

 

   Uit het dossier en ook uit het advies blijkt dat de voormalige mede-vennoot van appellant meerdere keren is veroordeeld voor opiumdelicten. Dit is door appellant ook niet betwist. De voorzieningenrechter heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat de burgemeester aannemelijk heeft mogen achten dat het door die vennoot in de inrichting geïnvesteerde bedrag afkomstig is uit handel in verdovende middelen. Het betoog van appellant dat hij de banden met deze vennoot heeft verbroken zodra hij vernam van de veroordelingen, doet daaraan niet af, nu uit de verklaringen van appellant blijkt dat het door zijn mede-vennoot geïnvesteerde bedrag niet aan het vermogen van de inrichting in onttrokken.

 

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester op grond van het advies mogen constateren dat een ernstig vermoeden bestaat dat appellant betrokken is bij de handel in verdovende middelen. Dat appellant zelf nooit is vervolgd en nooit betrokken is geweest in een strafrechtelijk onderzoek naar overtreding van de Opiumwet kan hieraan niet afdoen. Artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob spreekt immers van ernstig gevaar voor het daar omschreven gebruik van de beschikking. Appellant wordt op basis van diverse gegevens in verband gebracht met handel in verdovende middelen en de voormalige mede-vennoot van appellant, met wie hij zakelijke betrekkingen onderhield, is wel veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet.

 

   De stelling van appellant dat hij niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de administratie- en bewaarplicht en dat hij alsnog aan die verplichtingen jegens de Belastingdienst heeft voldaan laat, zoals ook de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, onverlet dat de Belastingdienst hem vergrijpboetes van 50% heeft opgelegd omdat hij niet voldeed aan deze plichten.

 

   De omstandigheid dat appellant de inrichting al exploiteerde voordat deze vergunningplichtig werd na invoering van paragraaf 3a van de APV, betekent, anders dan appellant betoogt, niet dat hij erop mocht vertrouwen dat de gevraagde vergunning zou worden verleend. Appellant heeft een aanvraag als bedoeld in artikel 2:35d van de APV ingediend en wist, althans behoorde te weten, dat deze aanvraag op grond van artikel 2:35f, vierde lid, van de APV kon worden geweigerd. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat van strijd met het vertrouwensbeginsel niet is gebleken.

 

   De conclusie van het voorgaande is dat de voorzieningenrechter met juistheid heeft geoordeeld dat de burgemeester de vergunning op grond van artikel 2:35f, vierde lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob, mocht weigeren.

 

2.5.   Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

 

2.6.   Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

  1. Beslissing

 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

 

Recht doende in naam der Koningin:

 

bevestigt de aangevallen uitspraak.

 

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

Maak PDF van deze pagina