AX4420 - Raad van State - 24-05-06

AX4420 - Raad van State - 24-5-2006

Trefwoord(en)Familieband, Zakelijk samenwerkingsverband
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning seksinrichting
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 4 sub c

Hoofdpunten

  • De uitspraak ziet toe op een familie, die meerdere gerechtelijke procedures tegen besluiten van de gemeente Den Haag is aangegaan. Niet exact duidelijk is welke dossiers bij welke uitspraken horen. Zie tevens:
  • 21-03-2005 Rechtbank ’s-Gravenhage (VV) LJN: AT2983.
  • 19-10-2005 Rechtbank ’s-Gravenhage LJN: AU6036.
  • 14-09-2006 Rechtbank ’s-Gravenhage LJN: AZ1150.
  • 13-12-2007 Rechtbank ‘s-Gravenhage AWB 06/8661 BESLU.
  • 05-11-2008 Raad van State LJN: BG3393.
    • r.o. 2.3. Er is sprake van een zakelijk samenwerkingsverband tussen de dochter en haar bv en haar ouders (de betrokkenen) en hun kamerverhuurbedrijf. Dit is gebaseerd op:
  • De familierelatie tussen de ouders en dochters.
  • Het feit dat zij allen in dezelfde branche – prostitutie – werkzaam zijn.
  • Een rekening-courant verhouding tussen de bedrijven van ouders en dochter onder de noemer ‘groepsmaatschappijen’.
  • Drie jaar feitelijke exploitatie door de ouders, terwijl de vergunning op naam van de bv van de dochter stond.
    • r.o. 2.3.1. Er is sprake van een zakelijk samenwerkingsverband als een (rechts)persoon zonder justitiële antecedenten een vergunning aanvraagt, terwijl wordt geparticipeerd in een samenwerkingsverband.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 mei 2006

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

 

Uitspraak op het hoger beroep van:

 

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

 

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/5035 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 oktober 2005 in het geding tussen:

 

appellanten

 

en

 

de burgemeester van Den Haag.

 

  1. Procesverloop

 

Bij besluit van 23 februari 2005 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) geweigerd aan [appellant B] een vergunning als bedoeld in artikel 95h, eerste lid, van de Algemene Politieverordening 's-Gravenhage (hierna: APV) te verlenen voor de exploitatie van een seksinrichting in het pand [locatie] te [plaats].

 

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de burgemeester het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

 

Bij uitspraak van 19 oktober 2005, verzonden op 20 oktober 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

 

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

 

Bij brief van 18 november 2005 hebben appellanten toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Bij onderscheiden brieven van 22 november 2005 hebben appellanten nadere stukken ingediend. Deze zijn in kopie aan de burgemeester toegezonden.

 

Bij brief van 16 januari 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

 

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2006, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. L. Hartogs, advocaat te Doetinchem, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Jurada en M.C. den Hertog, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

 

  1. Overwegingen

 

2.1.   Ingevolge artikel 95h, eerste lid, van de APV is het verboden een seksinrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

 

2.1.1.   In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: wet BIBOB), voorzover hier van belang, kunnen bestuursorganen weigeren een aangevraagde beschikking te geven, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

 

   In artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, is bepaald dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd, dan wel is gegeven.

 

   Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de wet BIBOB staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het derde lid, indien - voorzover hier van belang - een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

 

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de wet BIBOB kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf door het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3.

 

2.2.   Appellanten exploiteren [Kamerverhuurbedrijf]. De dochter van appellanten, [dochter], is onder meer bestuurder/grootaandeelhouder van de besloten vennootschap "Onroerende Goederen Maatschappij Zierico B.V." (hierna: Zierico B.V.). Naar aanleiding van de aanvraag van [appellant B] heeft de burgemeester het Landelijk Bureau als bedoeld in artikel 8 van de Wet BIBOB (hierna: het Landelijk bureau) om advies gevraagd. In zijn advies van 13 augustus 2004 heeft het Landelijk bureau geconcludeerd dat sprake is van een ernstige mate van gevaar dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Aan dit advies ligt een onderzoek van het Landelijk bureau ten grondslag waaruit naar voren is gekomen dat een ernstig vermoeden bestaat dat [dochter] in persoon zowel als Zierico B.V. zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten. Onder meer is ten aanzien van Zierico B.V. door de Belastingdienst geconstateerd dat er ernstige vermoedens van overtreding van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de AWR) bestaan en is [dochter] aangehouden en vervolgd als verdachte op grond van medeplichtigheid aan witwaspraktijken. Gelet op de aard van het tussen appellanten en de ondernemingen van hun dochter bestaande zakelijke samenwerkingsverband en het soort strafbare feiten heeft de burgemeester zich - in navolging van het advies van het Landelijk bureau BIBOB - op het standpunt gesteld dat er ernstig gevaar bestaat dat de door appellanten aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Op grond hiervan heeft de burgemeester de vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting geweigerd.

 

2.3.   Anders dan appellanten betogen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de burgemeester op goede gronden heeft aangenomen dat tussen [kamerverhuurbedrijf] en Zierico B.V., een zakelijk samenwerkingsverband bestaat, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet BIBOB. Daarbij heeft de burgemeester er allereerst terecht op gewezen dat in de familierelatie - ouders en dochter - en het feit dat zij allen in dezelfde branche werkzaam zijn - de raamprostitutie -, al aanwijzingen zijn gelegen voor een mogelijk samenwerkingsverband. Voorts blijkt uit zowel de jaarcijfers van [kamerverhuurbedrijf] als die van Zierico B.V. dat onder de noemer 'groepsmaatschappijen' tussen even bedoelde bedrijven een rekeningcourant verhouding bestond op grond waarvan over en weer geld beschikbaar kon worden gesteld voor aankopen van onroerend goed en betalingen door de ene onderneming konden worden gedaan ten behoeve van de andere. Tevens is door Zierico B.V. een lening aan [kamerverhuurbedrijf] verstrekt. Daarnaast heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de burgemeester terecht van doorslaggevend belang heeft geacht dat appellanten in de periode van 2001 tot 2004 een aantal raamprostitutiepanden feitelijk hebben geëxploiteerd, terwijl daarvoor een exploitatievergunning was verleend aan Zierico B.V. Deze vergunning was bewust aan Zierico B.V. verleend en niet aan appellanten, van wie een aanvraag met betrekking tot dezelfde panden door de burgemeester na negatief advies van de politie Haaglanden was afgewezen. De hiertegen gerichte betogen van appellanten falen.

 

2.3.1.   Voorzover appellanten betogen dat de burgemeester de term zakelijk samenwerkingsverband op een geheel andere wijze heeft gehanteerd dan in de memorie van toelichting bij de wet BIBOB is aangegeven, faalt ook dit betoog. Uit de memorie van toelichting bij de wet BIBOB (Tweede Kamer, 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 63) kan worden afgeleid dat het begrip zakelijk samenwerkingsverband in de wet is opgenomen voor de situatie, waarin een natuurlijke persoon of een rechtspersoon van wie geen justitiële of politiële antecedenten bekend zijn, zoals ten aanzien van [appellant B] het geval is, als aanvrager van een vergunning optreedt, terwijl wordt geparticipeerd in een samenwerkingsverband. Bij de beslissing inzake de toekenning van een vergunning dient dan tevens rekening te worden gehouden met de strafbare feiten van degenen die naast de aanvrager deelnemen in het zakelijk samenwerkingsverband. Gelet hierop en op de onder 2.3 weergegeven overwegingen heeft de burgemeester in het kader van de beoordeling of sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de wet BIBOB, aan die term geen onjuiste uitleg of toepassing gegeven.

 

2.4.   Voorts bestrijden appellanten het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daartoe is onder verwijzing naar een brief van de Belastingdienst Haaglanden van 18 november 2005 aangevoerd dat inmiddels een vermoeden van overtreding van de AWR door Zierico B.V. niet meer aan de orde is.

 

Ten aanzien van deze brief heeft de burgemeester ter zitting terecht gesteld hiermee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening te hebben kunnen houden. Overigens kan deze brief wel worden betrokken bij het onderzoek in verband met een nieuwe aanvraag van appellanten, aldus de burgemeester. Wat er verder zij van de redelijkheid van het vermoeden van overtreding van de AWR, vast staat dat [dochter] ten tijde van de onderhavige besluitvorming werd vervolgd en inmiddels ook is veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwaspraktijken. Dit gegeven is, gelet ook op de aard van het zakelijk samenwerkingsverband, voldoende voor de conclusie dat een ernstig gevaar bestond dat de door appellanten aangevraagde vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.  

 

2.5.   Het hiervoor onder 2.4 overwogene in aanmerking genomen heeft de rechtbank tenslotte - anders dan appellanten betogen - met juistheid de weigering de exploitatievergunning te verlenen niet onevenredig geacht, gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit waarvoor [dochter] werd vervolgd, afgewogen tegen de betrokken financiële belangen van appellanten. De burgemeester kon in redelijkheid de gevraagde vergunning weigeren.

 

2.6.   Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

 

2.7.   Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

  1. Beslissing

 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

 

Recht doende in naam der Koningin:

 

bevestigt de aangevallen uitspraak.

 

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

Maak PDF van deze pagina