AWB 12/5190 VEROR - Rechtbank Amsterdam - 05-12-12_174

AWB 12/5190 VEROR - Rechtbank Amsterdam - 5-12-2012

Trefwoord(en)Aard van de relatie, Vermogen verschaffen
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning horeca, Drank- en horecavergunning
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 2 sub a, Art. 3 lid 3 sub a, Art. 3 lid 4, Art. 3 lid 4 sub b, Art. 3 lid 4 sub c

Hoofdpunten

  • De uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening.
  • r.o. 4.2. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten, “nu [persoon A] vermogen heeft verstrekt”. Dat de betrokkene de vordering van persoon A inmiddels heeft betaald, “neemt niet weg dat [persoon A] vermogen heeft verschaft waarmee de overname is mogelijk gemaakt.”
  • r.o. 4.2 en 4.3. De rechtbank wijst in dit geval op de volgende omstandigheden:
  • De financier is de vorige eigenaar van de zaak.
  • Betrokkene hoefde van het bij de overdracht verschuldigde bedrag van € 100.000,- een bedrag van € 15.000 nog niet te voldoen aan de financier. Persoon A is volgens de rechter geen gewone crediteur. Hij “heeft immers door niet direct het gehele [overname]bedrag overgemaakt te willen zien, vermogen verschaft om de overname mogelijk te maken.”
  • De financier was bij het indienen van de aanvraag van betrokkene aanwezig en bij het afrekenen van de leges zouden zij hebben overlegd wie er zou betalen. Dat uiteindelijk betrokkene betaald heeft, leidt niet tot een ander oordeel.
  • Tijdens de overdracht van de onderneming liep er een zienswijze over de voorgenomen beëindiging van de vergunningen van de financier.
  • Betrokkene was bedrijfsleider van het café en had kunnen weten dat er een vooraankondiging was over de beëindiging van de vergunningen van de financier. Dat betrokkene de onderneming toch overneemt met financiering door deze financier komt voor zijn risico.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

 

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5190 VEROR

 

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

 

[naam 1] h.o.d.n. [vof 1],

te Amsterdam,

verzoeker,

gemachtigde mr. V. Platteeuw,

 

en

 

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam,

verweerders,

gemachtigde mr. J.J. Pieternella.

 

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerders van 11 oktober 2012.

 

Verweerder heeft stukken overgelegd onder mededeling dat uitsluitend de rechtbank hiervan kennis zal mogen nemen. De rechtbank heeft in een andere samenstelling op grond van

artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

 

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2012.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verzoeker zijn verder nog verschenen zijn echtgenote en zoon die mede vennoten zijn. Verweerders zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

 

Overwegingen

  1. inleidende bepaling

 

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

 

  1. feiten en omstandigheden

 

2.1. Verzoeker was geruime tijd bedrijfsleider van [vof 1], De heer [naam 2] was eigenaar. Op

7 februari 2012 is een vooraankondiging aan [naam 2] gezonden dat de aan hem verleende vergunningen zouden worden ingetrokken, in verband met de resultaten van het Bibob-onderzoek. Bij besluit van 3 april 2012 zijn de aan [naam 2] verleende vergunningen ingetrokken. Op

29 maart 2012 heeft verzoeker [vof 1] overgenomen van de eigenaar [naam 2]. Het bedrag dat met de overname gemoeid is, bedraagt € 100.000,-. Van voornoemd bedrag hoefde verzoeker een bedrag van € 15.000,- pas na opening van [vof 1] te betalen aan [naam 2]. Op 30 maart 2012 heeft verzoeker een aanvraag gedaan om een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning. Deze vergunningen zijn op 11 oktober 2012 door verweerders geweigerd.

 

2.2. Verweerders hebben verzoeker op 30 mei 2012 op de hoogte gesteld van het integriteitsonderzoek naar verzoeker. Op 15 augustus 2012 hebben verweerders het voornemen bekend gemaakt dat de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning op grond van artikel 3, eerste lid onder a. en b. van de Wet Bibob geweigerd zouden worden. Volgens het advies van 25 juli 2012 van het Landelijk bureau Bibob (LBB) dat verzoeker op kantoor van verweerders heeft ingezien, was er sprake van een ernstig gevaar dat de vergunning mede zou worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en gebruikt zal worden voor het plegen van strafbare feiten. Het ernstig gevaar voor misbruik was daarin gelegen dat er een ernstig vermoeden bestaat dat [naam 2] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en dat er een financieringsrelatie bestond tussen verzoeker en [naam 2] omdat [naam 2] heeft afgezien van directe betaling van € 15.000,-.

 

2.3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker wil met zijn verzoek bereiken dat hij de exploitatie van [vof 1] kan hervatten. Nu is het café gesloten terwijl de kosten doorlopen. Verzoeker ziet zijn relatie met [naam 2] niet anders dan de relatie die hij met een crediteur zou hebben die hem goederen levert.

 

2.4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter ter zitting toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

 

  1. wettelijk kader

 

3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob, kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, een aangevraagde beschikking weigeren dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (a) of strafbare feiten te plegen (b).

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

  1. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede lid en derde lid, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

 

  1. beoordeling

 

4.1. Een bestuursorgaan mag afgaan op de expertise van het LBB, tenzij de in het advies vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet kunnen dragen, bijvoorbeeld omdat ze daarvoor te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met wat overigens bekend is (zie bijvoorbeeld: LJN: BN1947).

 

4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker een financieringsrelatie met [naam 2], de vorige eigenaar van de zaak, heeft gehad. Die financieringsrelatie bestaat er uit dat verzoeker van het bij de overdracht verschuldigde bedrag van € 100.000,- een bedrag van € 15.000 nog niet hoefde te voldoen aan [naam 2]. Het standpunt dat [naam 2] een gewone crediteur is volgt de voorzieningenrechter niet. [naam 2] heeft immers door niet direct het gehele bedrag overgemaakt te willen zien, vermogen verschaft om de overname mogelijk te maken. Tegen [naam 2] lopen diverse onderzoeken in verband met “witwassen” en Hawala bankieren. Nu [naam 2] vermogen heeft verstrekt en er tegen hem bedenkingen lopen, betekent dit dat verzoeker in relatie staat tot strafbare feiten. Daarbij komt nog dat ten tijde van de overdracht er een zienswijze liep over de voorgenomen beëindiging van de vergunningen aan [naam 2]. Dat verzoeker inmiddels de

€ 15.000,- heeft betaald aan [naam 2] neemt niet weg dat [naam 2] vermogen heeft verschaft waarmee de overname door hem mogelijk is gemaakt. Daar komt nog bij dat [naam 2] bij het indienen van de aanvraag door verzoeker aanwezig was en dat zij bij het afrekenen van de leges overlegd hebben wie er zou betalen. Dat dit uiteindelijk verzoeker is geweest, leidt niet tot een ander oordeel.

 

4.3. Ten aanzien van verzoekers belang om de zaak te heropenen omdat de vaste kosten

doorlopen en hij nu geen inkomsten heeft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoeker was bedrijfsleider van het café en had kunnen weten dat er een vooraankondiging

was over de beëindiging van de vergunningen van de heer [naam 2]. Dat verzoeker dan [vof 1] toch overneemt met financiering door [naam 2] komt voor zijn risico.

 

4.4. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

 

4.5. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

 

Beslissing

 

De voorzieningenrechter:

 

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

 

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van,

R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.

 

Maak PDF van deze pagina