AWB 11/2393 - Rechtbank Leeuwarden - 07-11-11

AWB 11/2393 - Rechtbank Leeuwarden - 7-11-2011

Trefwoord(en)Zakelijk samenwerkingsverband, Voorschriften
Toepassingsgebied(en)Drank- en horecavergunning
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 4 sub c, Art. 3 lid 7

Hoofdpunten

  • De uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening.
  • r.o. 4.2. Volgens de rechter is er sprake van een zakelijk samenwerkingsverband. Dat wordt onder andere op de volgende punten gebaseerd.
  • De de derde met wie betrokkene een zakelijk samenwerkingsverband vormt heeft de betrokkenen vergezeld bij de intake van de vergunningaanvraag.
  • Hij heeft toezicht gehouden op de verbouwing van het vestigingspand.
  • Hij heeft zelf hand- en spandiensten (schilderwerk) verricht bij die verbouwing.
  • Hij heeft personeel geworven voor de onderhavige onderneming.
  • Hij beheert de Hyves-pagina van de onderneming.
  • Hij is regelmatig in het pand aangetroffen.
  • Hij heeft zich tegenover een medewerker van de gemeente als huurder gepresenteerd.
  • De betrokkenen hebben voor het verkrijgen van overeenkomsten met drankleveranciers gebruikgemaakt van het netwerk en de goede connecties van de derde.
    • r.o. 4.2. Dat deze derde failliet was en daardoor niets voor de betrokkenen zou kunnen betekenen, laat onverlet dat zij door zijn goede contacten met drankleveranciers voordeel hebben genoten van het zakelijk samenwerkingsverband.
    • r.o. 4.4. Omdat het gevaar terecht als ernstig is gekwalificeerd, hoeft het bestuursorgaan geen gebruikt te maken van de minder vergaande maatregel ex artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob (verlening onder voorwaarden).
    • r.o. 4.5. “Het enkele feit dat [de betrokkenen] per begin september 2011 de banden met [de derde met wie betrokkene een zakelijk samenwerkingsverband vormt] hebben verbroken, rechtvaardigt op voorhand niet de conclusie dat geen sprake (meer is) van een zakelijk samenwerkingsverband”. De rechter ziet hierin geen aanleiding om vooruit te lopen op een inmiddels aangevraagd aanvullend advies (over het zakelijk samenwerkingsverband). Bij dit oordeel neemt de rechter in aanmerking een dat “een aantal activiteiten en werkzaamheden [van de derde met wie betrokkene een zakelijk samenwerkingsverband vormt waar de betrokkenen] de vruchten van hebben geplukt, […] niet (meer) ongedaan kunnen worden.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

 

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 11/2393

 

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2011 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

in het geding tussen

 

[naam 1] en [naam 2],

wonende te Leeuwarden,

verzoekers (hierna: [naam 1] en [naam 2]),

gemachtigde: mr. A.P. Drosten, advocaat te Enschede,

 

en

 

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,

verweerder (hierna: het college),

gemachtigde: M. van der Helm, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

 

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2011 heeft het college met toepassing van de Wet bevordering

integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB) geweigerd aan [naam 1] en [naam 2] een drank- en horecavergunning te verlenen voor discotheek [onderneming 1] aan

het [adres 1]. Tegen dit besluit hebben [naam 1] en [naam 2] bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij zich bij brief van 7 oktober 2011 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Op 11 oktober 2011 heeft het college het aan het besluit van 16 september 2011 ten grondslag liggende advies van 25 augustus 2011 van het Landelijk Bureau BIBOB (hierna: het LBB) aan de rechtbank toegezonden, tezamen met de overige op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarbij heeft het college meegedeeld dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van het LBB-advies. Op 20 oktober 2011 heeft de rechtbank beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en [naam 1] en [naam 2] gevraagd om toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Deze toestemming is op 20 oktober 2011 verleend. Het

verzoek is ter zitting behandeld op 24 oktober 2011, waarbij [naam 2] in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [naam 1] is niet verschenen.

 

Motivering

Wettelijk kader

1.1       Op grond van artikel 27, derde lid, van de Drank- en Horecawet (DHW), gelezen in samenhang met artikel 3 van de DHW, kan het college een drank- en horecavergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB.

 

1.2       Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet BIBOB kan het college een drank- en horecavergunning weigeren, indien ernstig gevaar bestaat dat de drank- en horecavergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (a) of strafbare feiten te plegen (b).

 

1.3       Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

  1. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
  2. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
  3. de aard van de relatie en
  4. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

 

1.4       Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

  1. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
  2. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
  3. de aard van de relatie en
  4. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

 

1.5       Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede lid en derde lid, indien:

  1. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
  2. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of,
  3. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

 

1.6       Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vindt de weigering dan wel intrekking van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met de mate van het gevaar (a) en voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten (b).

 

1.7       Op grond van artikel 3 zevende lid, van de Wet Bibob kan, voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

 

Standpunten van partijen

2.1       Het college heeft de drank- en horecavergunning geweigerd, omdat naar zijn oordeel ernstig gevaar bestaat dat deze vergunning wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Het college heeft aan dit oordeel het advies van het LBB van 25 augustus 2011 ten grondslag gelegd.

 

2.2       [naam 1] en [naam 2] bestrijden dit standpunt van het college. Daarnaast zijn zij van mening dat het college met toepassing van artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob ook had kunnen volstaan met een minder verstrekkende maatregel.

 

Inleidende overwegingen

3.1       Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

 

3.2       Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [naam 1] en [naam 2] te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat zij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het aangevallen besluit in bezwaar geen stand zal houden.

 

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

4.1       Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 7 juli 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BN0469, mag een bestuursorgaan afgaan op de expertise van het LBB, tenzij de in het advies vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet kunnen dragen, bijvoorbeeld omdat ze daarvoor te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

 

4.2       Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van het

LBB-advies overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In het aangevallen besluit heeft het

college, onder verwijzing naar het LBB-advies, onder het kopje “Zakelijk samenwerkingsverband”, veertien punten genoemd op basis waarvan volgens het college sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en [naam 3] anderzijds. [naam 1] en [naam 2] hebben de juistheid van deze punten niet bestreden. Het college heeft onder meer aangegeven dat [naam 3] [naam 1] in november 2010 heeft vergezeld bij de intake van de aanvraag om de drank- en horecavergunning. Daarnaast is aangegeven dat [naam 3] toezicht heeft gehouden op de verbouwing van het pand waarin [onderneming 1] is gevestigd, in welk kader hij ook zelf hand- en spandiensten heeft verricht (schilderwerk). Verder is aangegeven dat [naam 3] personeel heeft geworven voor [onderneming 1] en dat hij de hyves-pagina van deze discotheek beheert. Voorts is aangegeven dat [naam 3] regelmatig in het pand is aangetroffen en dat hij zich tegenover een gemeentelijke medewerker (afdeling bouwen en wonen) heeft gepresenteerd als huurder. Voorts hebben [naam 1] en [naam 2] voor het verkrijgen van overeenkomsten met drankleveranciers gebruik gemaakt van het netwerk en de goede connecties van [naam 3] met drankleveranciers, zoals Coca Cola, Bacardi, Vrumona en Inbev Nederland. De

voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de hier aangehaalde punten, alsmede de

overige in het aangevallen besluit genoemde punten, in onderlinge samenhang bezien, tussen

[naam 1] en [naam 2] enerzijds en [naam 3] anderzijds een zakelijk samenwerkingsverband

bestaat. Dat [naam 3] failliet was waardoor hij in de visie van [naam 1] en [naam 2] in zakelijk opzicht niets voor hen kon betekenen, laat onverlet dat zij voordeel hebben genoten van het zakelijke samenwerkingsverband door de goede contacten die [naam 3] had met verschillende drankleveranciers.

 

4.3       Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, kunnen [naam 1] en [naam 2] in verband worden gebracht met de justitiële en politiële antecedenten van [naam 3] (handelen in strijd met de belastingwetgeving, geweldsdelicten) in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. Voor wat betreft de geweldsdelicten komt in het LBB-advies naar voren dat deze plaatsvonden in discotheek [onderneming 1] te Enschede. Dit geldt ook voor een geweldsdelict waaraan [naam 1] zich in maart 2011 schuldig heeft gemaakt, waarvoor hij op 25 juli 2011 is veroordeeld.

 

4.4       De voorzieningenrechter oordeelt dat het college op basis van het LBB-advies op goede gronden de mate van gevaar, als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet BIBOB, als ernstig heeft gekwalificeerd. Dit brengt mee dat, anders dan [naam 1] en [naam 2] menen, het college geen gebruik hoefde te maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 3, zevende lid, van de Wet BIBOB een minder vergaande maatregel te treffen dan het geheel weigeren van de verzochte exploitatievergunning (vgl. AbRS d.d. 30 september 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN: BJ8931).

 

4.5       [naam 1] en [naam 2] hebben gesteld dat zij, nadat zij begin september 2011, na

inzage van het LBB-advies, op de hoogte waren geraakt van de justitiële en politiële antecedenten van [naam 3], zich van hem hebben gedistantieerd en dat hij geen bemoeienis meer heeft met [onderneming 1]. Zo verricht hij geen hand- en spandiensten meer en beheert hij niet langer de Hyves-pagina. Ook is de naam van de discotheek gewijzigd in [onderneming 2]. In reactie hierop heeft het college aangegeven dat deze nieuwe feiten voor nader advies aan het LBB zijn voorgelegd. Desgevraagd heeft het college aangegeven dat het LBB wellicht adviseert om de drank- en horecavergunning wel te verlenen, maar dan onder bepaalde voorwaarden. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op het feit dat de in artikel 27, derde lid, van de DHW geformuleerde bevoegdheid van het college discretionair van aard is, geen aanleiding om thans vooruit te lopen op het nadere advies van het LBB. Hierbij neemt de voorzieningenrechter tevens in aanmerking dat een aantal activiteiten en werkzaamheden van [naam 3], waar [naam 1] en [naam 2] de vruchten van hebben geplukt, zoals het bijstaan van [naam 1] bij het indienen van de aanvraag, het fungeren van aanspreekpunt voor de gemeentelijke afdeling bouwen en wonen en het benutten van de connecties van [naam 3] bij het sluiten van overeenkomsten met drankleveranciers niet (meer) ongedaan gemaakt kunnen worden. Het enkele feit dat [naam 1] en [naam 2] per begin september 2011 de banden met [naam 3] hebben verbroken, rechtvaardigt op voorhand niet de conclusie dat geen sprake (meer is) van een zakelijk samenwerkingsverband tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en [naam 3] anderzijds.

 

4.6       Uit het voorgaande volgt dat geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

 

Proceskosten

5.1       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2011.

Maak PDF van deze pagina