AWB 07/7677 BESLU - Rechtbank Den Haag - 26-10-07

AWB 07/7677 BESLU - Rechtbank Den Haag - 26-10-2007

Trefwoord(en)Legalisatie, concreet zicht op
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning horeca, Drank- en horecavergunning

Hoofdpunten

  • De uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening.
  • r.o. 4. In casu is er geen concreet zich op legalisatie, mede omdat niet de inrichting maar de besloten vennootschap overgenomen is. Hierdoor is de betrokkene (de bv) niet veranderd, maar enkel de aandeelhouders.

Uitspraak

Uitspraak

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening van

 

[besloten vennootschap 1], gevestigd te Den Haag, verzoekster,

 

ten aanzien van het besluit van 27 september 2007 van de burgemeester van Den Haag, verweerder, waarbij de vergunning ingevolge artikel 57 van de van de Algemene Plaatselijke Politieverordening ‘s Gravenhage (hierna: APV) als ook de vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet ten behoeve van exploitatie van de horeca-inrichting (café-restaurant) [café 1] zijn geweigerd.

 

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 16 oktober 2007 bij verweerder bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verzoekster bij brief van dezelfde datum de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

 

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

 

  1. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
  2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

 

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

 

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

 

  1. Ter onderbouwing van haar verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoekster naar voren gebracht dat zij zich niet kan verenigen met het besluit tot weigering van de exploitatievergunning. Het door verweerder ingestelde onderzoek op grond van de Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (BIBOB) heeft zich gericht op [naam 1], die sinds 15 oktober 2007 niet langer directeur is van [besloten vennootschap 1]. De huidige directeur, [naam 2] exploiteert horeca-inrichtingen [café 2] en [café 3] in Den Haag.

Tegen deze exploitant bestaan dan ook geen bezwaren.

 

Afgifte van de vergunningen is noodzakelijk om een sluiting met toepassing van bestuursdwang te voorkomen. Volgens verzoekster heeft verweerder geen zwaarwegend belang bij de sluiting, nu de exploitatie zonder vergunningen een lange periode is toegestaan. Een sluiting heeft verstrekkende financiële gevolgen, ook voor het bij haar werkzame personeel. Verzoekster vreest verlies van klanten. Leegstand van horecainrichtingen heeft in de regel negatieve gevolgen voor het woon- en

leefklimaat en in dit geval in het bijzonder nu sprake is van een markante locatie in het centrum.

 

  1. Artikel 57, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester of in strijd met de aan deze vergunning verbonden voorschriften een recreatie-inrichting op te richten, uit te breiden, te wijzigen of te drijven.

 

Artikel 57, tweede lid, van de APV bepaalt dat de vergunning op naam wordt gesteld van de ondernemer, dat deze locatie-gebonden is en niet overdraagbaar.

 

  1. Zoals de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 15 oktober 2007 (Reg. nr. AWB 07/6847 BESLU) in het kader van de beoordeling van de vraag of concreet zicht bestaat op legalisatie heeft overwogen, heeft verweerder in onderhavig besluit op goede gronden besloten de

exploitatievergunning ex artikel 57 van de APV ten behoeve van de exploitatie van de [café 1] te weigeren en bestaat er geen concreet zicht op legalisatie van de situatie.

 

Namens verzoekster is aangevoerd dat [besloten vennootschap 1] inmiddels is overgenomen door [naam 2], dat opnieuw een aanvraag voor een vergunning ex artikel 57 APV is ingediend en dat er, gelet op de persoon van de nieuwe eigenaar van verzoekster, aan wie reeds eerder vergunningen ex artikel 57 APV zijn verleend geen aanleiding is te veronderstellen dat de vergunning geweigerd zal worden. Naar het oordeel van verzoekster dient het besluit tot sluiting van de onderneming, gelet op de door dit besluit getroffen belangen, waaronder die van het personeel en de nieuwe eigenaar van verzoekster, te worden geschorst.

 

De voorzieningenrechter overweegt dat thans geen sprake is van een situatie, waarin een inrichting, voor de exploitatie waarvan een vergunning ex artikel 57 APV is vereist en verleend, wordt overgenomen, zoals die wel bestond bij de overname van de inrichting [café 1] van

[besloten vennootschap 2] door [besloten vennootschap 1].

 

De door [besloten vennootschap 1] (overigens buiten de bij overnames door verweerder gehanteerde termijn van dertien weken) aangevraagde vergunningen zijn bij besluit van 27 september 2007 geweigerd en op grond van hetgeen is overwogen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2007 is er geen aanleiding te veronderstellen dat die weigering, voor zover daartegen rechtsmiddelen zijn of worden aangewend, geen stand zal houden. Dit betekent dat verzoekster sinds dertien weken na de overname op 1 april 2006 de [café 1] exploiteert zonder de benodigde vergunning ex artikel 57 APV.

 

Voor de beoordeling van de vraag of het besluit tot sluiting van de inrichting [café 1] dient te worden geschorst, wordt daarom uitgegaan van de situatie, waarin een nieuwe aanvraag is gedaan. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of sprake kan zijn van legalisatie in die zin dat de op dit moment niet verleende, maar wel aangevraagde, vergunning ex artikel 57 APV alsnog wordt verleend, voor de beoordeling van de gevraagde voorziening geen betekenis heeft.

 

Ook indien op voorhand geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat er gronden zijn een vergunning te weigeren, dient de vergunningverlener de gelegenheid te krijgen de aanvraag te beoordelen en mag met vergunningsplichtige activiteiten eerst worden aangevangen nadat de

vergunning is verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat in afwijking van deze hoofdregel over te gaan tot schorsing van het bevel tot sluiting van de inrichting [café 1].

 

  1. Derhalve bestaat geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

 

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

 

  1. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

 

Wijst het verzoek af.

 

Aldus gegeven door mr. E. Kouwenhoven, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. I. Goud.

Maak PDF van deze pagina