AWB 07/7350 BESLU - Rechtbank Den Haag - 05-11-07

AWB 07/7350 BESLU - Rechtbank Den Haag - 5-11-2007

Trefwoord(en)Feiten en omstandigheden die redelijkerwijs ..., Adviesaanvraag, Feit van algemene bekendheid, Grootte van het voordeel, Privéleven, Proportionaliteit adviesaanvraag, Samenhang, Zakelijk samenwerkingsverband
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning horeca
Wetsartikel(en)Art. 3 lid 2 sub a, Art. 3 lid 2 sub d, Art. 3 lid 3 sub a, Art. 3 lid 4 sub c, Art. 7 lid 3, Art. 8 EVRM

Hoofdpunten

  • De uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening.
  • r.o. 3.3. De ruime samenhang die door het bestuursorgaan is toegepast wordt niet verworpen. Geweldsdelicten en vernielingen van exploitanten en leidinggeven hangen samen met horeca-exploitatie, omdat zij geacht worden de openbare orde te handhaven, maar toch een risico voor de veiligheid vormen. Verder kan een koffiehuis gebruikt worden om in verdovende middelen te handelen en om de opbrengsten daarvan wit te wassen.
  • r.o. 4.2. Een anonieme melding mocht gebruikt worden ter motivering van het vermoeden, aangezien deze tip ondersteund werd door het onderscheppen van een drugskoerier die telefonisch contact had met de betrokkene.
  • r.o. 4.3. Er wordt een zakelijk samenwerkingsverband vastgesteld, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de broer van de betrokkene niet langer betrokken is bij het koffiehuis (dat voorheen een vof van hun beiden was). Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat de politie verweerders broer tijdens een inspectie heeft aangetroffen in het koffiehuis, waarbij deze meedeelde dat hij de zaak waarnam omdat zijn broer naar huis was.
  • r.o. 4.3. Er is een zakelijk samenwerkingsverband omdat een andere derde beheerder van het koffiehuis is.
  • r.o. 4.4. De grootte van het voordeel kan bepaald worden aan de hand van de duur van de activiteiten en de winstgevendheid van die activiteiten. In casu is er sprake van een groot voordeel omdat:
  • het een feit van algemene bekendheid is "dat met het overtreden van de Opiumwet grote winsten behaald kunnen worden"; en
  • betrokkene en zijn broer zich vermoedelijk vanaf 2001 tot en met 2006 met overtreding van deze wet bezig gehouden hebben.
    • r.o. 4.5. De adviesaanvraag is proportioneel omdat er een politietip was en de financiële haalbaarheid van de onderneming onduidelijk waren. Artikel 8 van het EVRM (inzake recht op privacy) is dus niet geschonden.

Uitspraak

Uitspraak

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

 

[naam 1], h.o.d.n. [onderneming 1], te ‘s-Gravenhage, verzoeker,

 

ten aanzien van het besluit van 22 augustus 2007, verzonden op 28 augustus 2007, van de burgemeester van Den Haag, verweerder, waarbij besloten is de vergunningaanvraag ex artikel 57 van Algemene plaatselijke verordening voor ‘s-Gravenhage (hierna: APV) voor de recreatie-inrichting [onderneming 1] in het perceel [adres 1] te weigeren.

 

Daarbij is meegedeeld dat indien de exploitatie van de recreatie-inrichting binnen twee weken niet is gestaakt, deze zo nodig met toepassing van artikel 5:21 van de Awb juncto artikel 65, eerste tot en met derde lid, van de APV van gemeentewege, doch voor rekening van verzoeker, zal worden belet.

 

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 1 oktober 2007 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

 

Bij faxbericht van 5 oktober 2007 heeft verweerder de effectuering van het bestreden besluit opgeschort in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter.

 

Het verzoek is op 29 oktober 2007 ter zitting behandeld, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.C. Kerkhoven, advocaat te Den Haag, en verweerder werd vertegenwoordigd door M. van der Burgt.

 

  1. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening
  2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

 

2.1. Gelet op het bepaalde in artikel 57, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een recreatie-inrichting op te richten of te drijven.

 

2.2. In artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) is, voor zover hier van belang, bepaald dat een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting door de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting betreft, kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

 

In artikel 4 van het Besluit Bibob is als inrichting bedoeld in het tweede lid van artikel 7 van de wet voornoemd onder meer aangewezen: “a. inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.”

 

2.3. In artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor zover bestuursorganen daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om a) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld

waardeerbare voordelen te benutten of b) strafbare feiten te plegen. In het tweede en derde lid van artikel 3 voornoemd is aangegeven op grond van welke feiten of omstandigheden de mate van ernstig gevaar wordt vastgesteld. In artikel 3, vierde lid, onder c, van de Wet Bibob is aangegeven

in welke gevallen de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid. Volgens artikel 3, vijfde lid, vindt de weigering als bedoeld in het eerste lid slechts plaats indien deze evenredig is met a) de mate van het gevaar en b) voor zover het ernstig gevaar als

bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

 

2.4. Voor de toepassing van de Wet Bibob heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag op 18 juli 2003 een beleidslijn vastgesteld. Daarin is onder meer opgenomen dat de gemeente de wet voornoemd toepast bij vergunningverlening aan recreatie-inrichtingen en dat

toetsing aan de hand van de Wet Bibob een uiterste middel is.

 

3.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd een vergunning als bedoeld in de APV te verlenen ten behoeve van de exploitatie van de recreatie-inrichting aan de [adres 1], omdat hij op grond van het advies van het Landelijk Bureau Bibob van 16 mei 2007 tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Wet Bibob.

 

3.2. In zoverre de weigering van de vergunning in het voetspoor van het advies is gebaseerd op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob zijn de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd als grondslag van het vermoeden dat er sprake is van handel in verdovende middelen:

  1. Verzoeker en [naam 2] zijn in 2002 onherroepelijk veroordeeld wegens het aanwezig hebben van verdovende middelen op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C, van de Opiumwet. Voorts is [naam 2] in 2005 onherroepelijk veroordeeld wegens hennepteelt op grond van artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet.
  2. Uit politiële informatie volgt verder het ernstige vermoeden dat verzoeker en [naam 2] over de jaren 2001 tot en met 2006 veelvuldig betrokken zijn geweest bij de handel in verdovende middelen, waaronder harddrugs.

 

Voorts zijn ook de financiële omstandigheden van de aankoop van de horecaonderneming van belang geacht. Het is aannemelijk geacht dat het aankopen van het koffiehuis gebeurd is door middel van vermogen dat verkregen is met de handel in verdovende middelen.

 

3.3. Voor zover de weigering van de vergunning is gebaseerd op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob is blijkens het advies naast het — zoals onder 3.2. weergegeven — ernstige vermoeden dat er sprake is van handel in verdovende middelen in aanmerking genomen dat [naam 2] en [naam 3] wegens geweldsdelicten veroordeeld zijn. [naam 2] is in 2002 wegens wederspannigheid veroordeeld en in 2001 wegens mishandeling. [naam 3] is in 2003 veroordeeld wegens het medeplegen van mishandeling en in 2004 wegens vernieling. In 2007 is hij tot slot gedagvaard wegens mishandeling. Daarbij is van belang geacht dat [naam 3] als beheerder van de horeca-inrichting juist verantwoordelijk is voor het handhaven van de openbare orde en dat [naam 2] gezien zijn waarschijnlijk geachte rol binnen de onderneming een mogelijk risico voor de veiligheid vormt. Voorts vormt de exploitatie van een koffiehuis een goede mogelijkheid om in verdovende middelen te handelen en de daarmee verkregen opbrengsten wit te wassen.

 

4.1. De voorzieningenrechter overweegt dat het aan het Landelijk Bureau Bibob is om op basis van diens deskundigheid te beoordelen of de aan het Landelijk Bureau Bibob verstrekte informatie, gelet op de overige feiten en omstandigheden van het geval, voldoende steun biedt voor de conclusie dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob. Op die expertise mag het bestuursorgaan afgaan, tenzij de in het advies vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet kunnen dragen, bijvoorbeeld omdat ze daarvoor te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

 

4.2. In dit geval bestaat er vooralsnog geen grond voor het oordeel dat twijfel behoorde te rijzen aan de bevindingen in het advies. De in het advies opgenomen gegevens bestrijken een aantal jaren, zien op verschillende activiteiten en wijzen overwegend in dezelfde richting. Alle gegevens

bijeengenomen en in onderling verband beschouwd zijn zodanig dat zij de eindconclusie van het advies kunnen dragen. Daarbij mocht het Landelijk Bureau Bibob met betrekking tot het ernstige vermoeden dat verzoeker betrokken is hij de handel in verdovende middelen de anonieme melding bij de politie Haaglanden van 1 april 2006 in zijn overwegingen betrekken.

 

Daarbij is van belang dat de informatie uit die anonieme melding ondersteund wordt door het feit dat op diezelfde dag een persoon bij aankomst in Engeland vanaf de boot van Hoek van Holland naar Harwich is aangehouden met een hoeveelheid van 500 gram cocaïne verborgen in zijn auto en de omstandigheid dat die persoon vlak voor en na zijn ontscheping telefonisch contact heeft gehad met verzoeker.

 

4.3. De maatstaf ”de aard van de relatie” als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, aanhef en onder c, en artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob heeft betrekking op de relatie tussen de aanvrager van de vergunning en de strafbare feiten. In dit geval heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt mogen stellen dat er een duidelijke relatie bestaat tussen de

aanvrager van de vergunning en de strafbare feiten, omdat het vermoeden bestaat dat verzoeker zelf handelt in verdovende middelen. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoeker en zijn broer, [naam 2], sprake is, nu niet aannemelijk is dat verzoekers broer niet langer betrokken is bij het koffiehuis. Daarbij is van belang dat de politie op 11 juli 2007 bij een inspectie [naam 2] heeft aangetroffen in het koffiehuis die meedeelde dat hij de zaak waarnam omdat verzoeker naar huis was. Dat er sprake is van een samenwerkingsverband met [naam 3] is voorts aannemelijk, nu [naam 3] de beheerder is van het koffiehuis.

 

4.4. Ten aanzien van de maatstaf, bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, aanhef en onder d, van de Wet Bibob heeft verweerder zich vooralsnog op het standpunt mogen stellen dat de omvang van de verkregen of te verkrijgen voordelen zodanig is dat het gerede vermoeden bestaat dat verzoeker hiermee de aankoop van zijn horecabedrijf ten minste met een deel heeft gefinancierd. Het is een feit van algemene bekendheid dat met het overtreden van de Opiumwet grote winsten behaald kunnen worden en verzoeker en zijn broer hebben zich vanaf 2001 tot en met 2006

vermoedelijk beziggehouden met het overtreden van deze wet.

 

4.5. Gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, kon verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid tot de conclusie komen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede gebruikt zal worden om uit

gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob. Hieruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter, anders dan verzoeker, geen grond ziet voor het oordeel dat aan de gehandhaafde weigering van de vergunning op grond van de Wet Bibob geen voldoende zorgvuldig onderzoek en geen afdoende motivering ten grondslag ligt en dat verweerder op grond van de in het advies genoemde feiten en omstandigheden de vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

 

  1. De stelling van verzoeker dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot het inwinnen van een Bibobadvies wordt eveneens niet onderschreven. Verweerder heeft aangegeven dat de Bibobaanvraag conform het geldende beleid als uiterste middel is ingezet. Uit de brief van 24 januari 2007, waarbij aan verzoeker en zijn broer, die toentertijd nog vennoot was, is medegedeeld dat advies aan het Landelijk Bureau Bibob is gevraagd, blijkt dat verweerder

tot de adviesaanvraag is overgegaan wegens gerezen vragen omtrent betrokkenheid bij strafbare feiten. Op 20 november 2006 heeft verweerder in dat verband het advies van de politie ontvangen een Bibobadvies aan te vragen. Daarnaast zijn er vragen gerezen naar aanleiding van het ingediende ondernemersplan en de uitschrijving van de broer van verzoeker omtrent de

financiële haalbaarheid van de onderneming. Van schending van artikel 8 van het EVRM is naar voorlopig oordeel derhalve geen sprake.

 

  1. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit naar verwachting in de bezwarenprocedure in stand kan blijven.

 

  1. In het kader van de belangenafweging merkt de voorzieningenrechter op dat aan een sluiting van een inrichting inherent is dat de betrokken ondernemer daarvan nadelige gevolgen ondervindt. Het -financiële- belang van verzoeker bij een ongehinderde voortzetting van de exploitatie weegt

echter niet op tegen de belangen die zijn gemoeid met de handhaving van de wettelijke voorschriften.

 

  1. Gezien het vorenstaande dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

 

  1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

  1. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

 

Aldus gegeven door mr. C.C. de Rijke-Maas als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. Molemans.

Maak PDF van deze pagina