AU6183 - Rechtbank Groningen - 11-11-05

AU6183 - Rechtbank Groningen - 11-11-2005

Trefwoord(en)Vragenformulier, Weigering invullen bibob-vragenformulier
Toepassingsgebied(en)Exploitatievergunning seksinrichting
Wetsartikel(en)Art. 4 lid 1, Art. 30

Hoofdpunten

  • De uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening.
  • Als een vergunninghouder/-aanvrager niet in het handelsregister is ingeschreven, is het overleggen van een handelsregisternummer of een bewijs van inschrijving in het handelsregister niet verplicht. Het niet-verstrekken is geen weigering in de zin van artikelen 4, eerste lid, en 30 van de Wet BIBOB.
  • De vraag of de betrokkene al dan niet een onderneming drijft, is niet van belang bij een BIBOB-onderzoek, aangezien BIBOB-onderzoeken zich ook op natuurlijke personen kunnen richten.

Uitspraak

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. E. Hardenberg

en

de burgemeester van Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. S.H. Spoormans.

1. PROCESVERLOOP

Verweerder heeft bij besluit van 16 augustus 2005 geweigerd verzoeker exploitatievergunningen te verlenen voor de prostitutieinrichtingen in de panden [adressen] te Groningen.

Tegen dit besluit (hierna te noemen: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 23 augustus 2005 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat hij wordt behandeld als ware hij in het bezit van de gevraagde exploitatievergunningen.

Verweerder heeft op 5 september 2005 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Ambtshalve heeft de voorzieningenrechter de stukken inzake een eerder door verzoeker ingediend verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer AWB 05/558 VEN, aan het dossier toegevoegd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van 4 november 2005.

Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

feiten

Bij aanvraag van 13 april 2004 heeft verzoeker verzocht hem exploitatievergunningen te verlenen voor de prostitutieinrichtingen [adressen].

Bij brief van 8 februari 2005 heeft verweerder verzoeker verzocht om toezending van een afschrift van de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken.

Bij brief van 17 februari 2005 heeft verweerder de indieningstermijn voor het inzenden van bedoeld afschrift verlengd tot en met 23 februari 2005 en heeft hij verzoeker medegedeeld de aanvraag niet in behandeling te nemen indien verzoeker niet voldoet aan het verzochte.

Bij brief van 22 februari 2005 heeft verzoeker verweerder medegedeeld niet te kunnen voldoen aan het verzoek.

Bij besluit van 13 april 2005 heeft verweerder besloten de aanvraag van verzoeker voor de panden [adressen] niet verder in behandeling te nemen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 27 april 2005 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 18 mei 2005 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de voorzieningenrechter bij brief van 26 mei 2005 medegedeeld dat hij het besluit van 13 april 2005 heeft herroepen en dat alsnog een inhoudelijk besluit zal worden genomen.

Verzoeker heeft vervolgens bij brief van 2 juni 2005 zijn verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht verweerder op grond van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, Awb te veroordelen in de proceskosten.

De voorzieningenrechter heeft bij brief van 7 juni 2005 verweerder in de gelegenheid gesteld ter zake van dit verzoek een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij uitspraak van 1 juli 2005, nr. AWB 05/558 BESLU VEN, heeft de voorzieningenrechter verweerder veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de gemeente Groningen het betaalde griffierecht aan verzoeker vergoedt.

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft verweerder, beslissend op de aanvraag van verzoeker, besloten de gevraagde vergunningen niet te verlenen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 4 juli 2005 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 19 juli 2005 heeft verweerder verzoeker, naar aanleiding van het door hem in zijn bezwaarschrift gestelde, verzocht de ontbrekende gegevens aan te leveren.

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder de gevraagde vergunningen andermaal geweigerd. Tegen dit besluit richt het thans voorliggend verzoek om voorlopige voorziening zich.

standpunten van partijen

Verweerder heeft de gevraagde vergunningen geweigerd op grond van de overweging dat verzoeker niet is ingeschreven in het handelsregister van de kamer van Koophandel en Fabrieken. Niettegenstaand de stelling van verzoeker dat hij geen ondernemer is, waardoor hij zich niet kan inschrijven in het handelsregister, is die inschrijving op grond van artikel 3.2.1, lid 2, sub f, Algemene plaatselijke Verordening Groningen 2005 (APVG) en artikel 30 Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (wet BIBOB) verplicht. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 4 wet BIBOB, in combinatie met het bepaalde in artikel 30 wet BIBOB de gevraagde vergunningen geweigerd.

Verzoeker is van mening dat hij niet kan voldoen aan het door verweerder gevraagde omdat hij geen onderneming drijft. Een inschrijving in het handelsregister zou daardoor in strijd zijn met de Handelsregisterwet en feitelijk onjuist. Verzoeker verhuurt onroerend goed, hetgeen niet kan worden beschouwd als het drijven van een onderneming. Verzoeker is van mening dat artikel 3.2.1, tweede lid, sub f, APVG als zijnde onverbindend buiten werking dient te worden gelaten omdat de in evengenoemd artikellid gestelde eis ertoe leidt dat het voor particulieren onmogelijk is een gebouw te verhuren voor prostitutiedoeleinden.

beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Gelet op de voorgeschiedenis, de bewoordingen van het bestreden besluit en het ter zitting namens verweerder gestelde, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verweerder de gevraagde vergunningen heeft geweigerd op grond van de overweging dat verzoeker niet is ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, hetgeen, naar verweerder van mening is, in strijd is met artikel 4, gelezen in samenhang met artikel 30 wet BIBOB.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit geen melding maakt van weigering op grond van artikel 4 wet BIBOB, doch dit motiveringsgebrek zal bij de te nemen beslissing op bezwaar kunnen worden hersteld.

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor beantwoording van de vraag of in de artikelen 4 en 30 wet BIBOB in dit geval grond is gelegen de door verzoeker gevraagde vergunningen te weigeren.

Vorengenoemde artikelen luiden als volgt:

Artikel 4 wet BIBOB

1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 30, derde lid, wordt de weigering van de betrokkene, niet zijnde de partij aan wie een overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, om een formulier als bedoeld in artikel 30, eerste lid, volledig in te vullen, aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien de betrokkene, niet zijnde de gegadigde, de partij aan wie een overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, weigert aanvullende gegevens te verschaffen in het geval, bedoeld in artikel 12, derde lid.

Artikel 30 wet BIBOB

1. In de formulieren die dienen voor het aanvragen van een beschikking of die worden gebruikt in het kader van een aanbesteding, worden vragen opgenomen die erop gericht zijn het Bureau in staat te stellen het onderzoek naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede, derde en zesde lid, of artikel 9, tweede lid, respectievelijk artikel 9, tweede lid, onder a. en b. uit te voeren alsmede onderzoek te verrichten naar de aspecten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder c. en d..

2. De in het eerste lid bedoelde vragen omvatten in ieder geval die naar:

a. de naam, het adres en de woonplaats of plaats van vestiging van de aanvrager of gegadigde;

b. de naam, het adres en de woonplaats van de persoon die het formulier namens de aanvrager of gegadigde invult;

c. het sociaal-fiscaalnummer van de persoon, bedoeld in de onderdelen a en b;

d. het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken;

e. de rechtsvorm van de aanvrager of gegadigde;

f. de handelsnaam of handelsnamen waarvan de aanvrager of gegadigde gebruik maakt of heeft gemaakt;

g. de natuurlijke personen of rechtspersonen die, voorzover van toepassing:

1°. direct of indirect leiding geven of hebben gegeven aan betrokkene;

2°. direct of indirect zeggenschap hebben of hebben gehad over betrokkene;

3°. direct of indirect vermogen verschaffen of hebben verschaft aan betrokkene;

4°. onderaannemer van betrokkene zijn;

h. de wijze van financiering.

3. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanbestedende dienst, verzoekt de betrokkene tevens om invulling van de in het eerste lid bedoelde formulieren, indien om advies wordt gevraagd met het oog op een beslissing terzake van de intrekking van een subsidie of vergunning, onderscheidenlijk de ontbinding van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht.

De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 4, eerste lid, wet BIBOB slechts speelt indien toepassing wordt gegeven aan artikel 30, derde lid, wet BIBOB. Dat derde lid ziet niet op aanvragen om vergunning doch op -voor zover hier thans van belang- het intrekken van vergunningen. Voor zover verweerder anderszins in artikel 4 wet BIBOB een weigeringsgrond ziet overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Artikel 4:5, eerste lid, Awb bepaalt dat indien bij het indienen van een aanvraag om vergunning de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Dit artikel ziet op het aanvragen van vergunningen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet BIBOB blijkt dat de wetgever de mogelijkheid wenselijk acht verleende vergunningen in te kunnen trekken, ingeval onvoldoende informatie wordt verstrekt. Teneinde dit mogelijk te maken is artikel 4 wet BIBOB in het leven geroepen. Artikel 4 wet BIBOB kan derhalve niet als grondslag voor het bestreden besluit, dat immers niet ziet op intrekking van een vergunning, dienen.

Nu verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de aanvraag om vergunning op grond van artikel 4:5 buiten behandeling te laten mocht verzoeker, naar hij heeft gesteld, ervan uitgaan dat zijn aanvraag volkomen was en had verweerder niet meer de mogelijkheid om daarop, zoals hij nu in wezen bij het bestreden besluit heeft gedaan, terug te komen op grond van onvolledigheid van de aanvraag.

De voorzieningenrechter oordeelt dienaangaand dat het bestuursorgaan, na het verlopen van de in artikel 4:5, vierde lid, Awb gestelde termijn, niet zonder meer vrij is vanwege de reden dat de aanvraag niet volledig is de gevraagde vergunning te weigeren. In dat geval zal een materieel oordeel dienen te volgen. Echter, van dit uitgangspunt kan onder omstandigheden worden afgeweken indien het de betrokkene van meet af aan duidelijk is geweest dat het verwerend orgaan de aanvraag niet volkomen achtte. Het gaat er derhalve om in hoeverre de aanvrager erop mocht vertrouwen dat zijn aanvraag volledig werd geacht. In het onderhavige geval is geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen dienaangaand. Van meet af aan wist verzoeker wat verweerder van hem verlangde.

Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de vorengenoemde artikelen 4 en 30 wet BIBOB niet per definitie volgt dat altijd een afschrift van de inschrijving in het Handelsregister dient te worden overgelegd. Zodanige eis kan uit de aard der zaak eerst worden gesteld indien sprake is van zodanige inschrijving. De zienswijze van verweerder volgend -dat altijd een afschrift van de inschrijving in het Handelsregister overgelegd dient te worden- zou ook betekenen dat particulieren die aanvragen om bouwvergunningen indienen zich -omwille van een BIBOB-toets- zouden moeten laten inschrijven in het Handelsregister. Dit acht de voorzieningenrechter uitgesloten.

In het onderhavige geval is geen sprake van inschrijving in het Handelsregister, zodat de eis van overlegging van een afschrift daarvan niet kan worden gesteld.

Het antwoord op de vraag of verzoeker nou wel of niet een onderneming drijft, hetgeen partijen ernstig verdeeld houdt, acht de voorzieningenrechter in het kader van de aanhangige procedure niet van belang, reeds omdat een onderzoek op grond van de wet BIBOB ook naar natuurlijke personen mogelijk is. Waarom dat in het onderhavige geval niet tot de mogelijkheden zou behoren is niet gebleken en zou in strijd zijn met de bedoeling van de wet BIBOB, die onderzoek naar zowel natuurlijke als rechtspersonen uitdrukkelijk mogelijk maakt.

De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenoverwogene tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechtmatigheidstoets niet kan doorstaan. De vraag of dat betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening voor inwilliging in aanmerking komt dient echter ontkennend te worden beantwoord. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de door verweerder gehanteerde weigeringsgronden de toets der kritiek weliswaar niet kunnen doorstaan, doch het gaat te ver vooruit te lopen op de resultaten van een mogelijk onderzoek door het Bureau BIBOB dan wel op de beoordeling van de vraag of sprake is van andere weigeringsgronden. Het verzoek om voorlopige voorziening dient derhalve te worden afgewezen. De voorzieningenrechter gaat er overigens uitdrukkelijk vanuit dat verweerder hangende de behandeling van het door verzoeker ingediende bezwaarschrift geen actie tegen verzoeker, als aangekondigd in het bestreden besluit, zal ondernemen. Mede gelet op de lange periode die verweerder verzoekers activiteiten reeds heeft gedoogd, valt niet in te zien waarom het voor verweerder bezwaarlijk zou zijn te wachten met (het denken aan) verdere acties totdat op het door verzoeker ingediende bezwaarschrift is beslist.

Aangezien de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gronden in bezwaar niet gehandhaafd kunnen worden, bepaalt de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, vierde lid, Awb dat het voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht door de gemeente Groningen aan verzoeker wordt vergoed. De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:84, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken, en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de voorzieningenrechter deze kosten op EUR 644,--, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende bijlage. Voor het hanteren van een wegingsfactor zwaarder dan 1, hetgeen verzoeker heeft verzocht, acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

-wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

-bepaalt dat de gemeente Groningen verzoeker het betaalde griffierecht van EUR 138,-- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, die zijn vastgesteld op EUR 644,--, en bepaalt dat de gemeente Groningen verzoeker deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 11 november 2005, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

Maak PDF van deze pagina